|
De
cliënt en zijn eigen verhaal
Commentaar in Cor Hoffer: 'Het intercultureel spreekuur' , Mikado, Rotterdam
Hans Rohlof, 2004
Zoals in dit boek beschreven is, lijkt het intercultureel spreekuur een
goede vorm om in middelgrote tot grote GGZ-instellingen vragen rond de
zorg aan etnische en culturele minderheden te beantwoorden. De overgang
van een vast spreekuur naar een virtueel spreekuur is daarbij een maatregel
gebleken die de efficiëntie verbeterde. De effectiviteit van een dergelijk
spreekuur blijkt al uit de rijke casuïstiek die hier wordt gepresenteerd.
Er zijn een aantal van de vraagstellingen geclusterd in categorieën die
vervolgens mooi zijn beschreven.
De categorieën kunnen worden gezien als prototypes van kwesties in de
transculturele hulpverlening, waarbij hulpverleners problemen ervaren.
Toch zijn er ook wel belangrijke en opvallende omissies in de categorieën
te zien. Zo valt het bijvoorbeeld op dat één van de voor veel hulpverleners
lastigste problemen in de transculturele diagnostiek: de verwevenheid
van somatische en psychische klachten, nauwelijks naar voren komt in het
spreekuur. Weliswaar zijn er diverse casussen waarin somatisering een
rol speelt. De problemen die een verwezen somatiserende patiënt met zijn
hulpvraag de hulpverlener geeft, en hoe dat bij allochtone patiënten speelt,
komen echter weinig aan bod, en dat valt op. Ook worden er door de hulpverleners
geen vragen gesteld over de inschatting van emoties bij allochtone patiënten
(of cliënten, hoe men de hulpvragers in de GGZ ook wil noemen). Tenslotte
zijn er weinig of geen vragen gesteld over de toepasbaarheid van Westers
georiënteerde behandelmethoden bij de cliënten. Het lijkt alsof de hulpverleners
hun eigen vaste methoden van diagnostiek en behandeling nog steeds omarmen,
maar wél vragen hebben als ze zaken waarnemen die ze niet begrijpen, zoals
taboezaken en zaken die met religie en volksgeloof te maken hebben. Dat
is op zich begrijpelijk. Hulpverleners neigen ertoe zich aan het hen vertrouwde
vast te houden en willen graag verklaringen voor zaken die ze niet begrijpen.
De interculturele spreekuurhouder dient dan ook deze onbegrepen zaken
aan de hulpverleners uit te leggen. Maar hij kan wellicht minder kritisch
zijn over de toepasbaarheid van klinische concepten voor etnische minderheden.
Naar mijn mening is een intercultureel spreekuur dan ook slechts een begin
van interculturalisatie in een zorginstelling. Natuurlijk is het een fraai
begin. De geboden casuïstiek, en de mooie manier waarop die wordt beschreven,
geven veel informatie over lastige kwesties in de geestelijke gezondheidszorg
(GGZ). Het zou ook goed zijn om dergelijke casuïstiek verder te verbreiden,
bijvoorbeeld op een website of als vaste interculturele casuïstiek in
een Nederlands tijdschrift dat zich richt op de GGZ. Borra, van Dijk en
ondergetekende hebben datzelfde getracht te bewerkstelligen met hun boek
'Cultuur, classificatie en Diagnose' ( Borra e.a. 2002). In dat boek zijn
van de belangrijkste etnische groeperingen in Nederland, en van twee autochtone
groepen, voorbeelden gegeven van etnisch of cultureel gekleurde psychopathologie.
Voorbeelden laten hulpverleners nadenken: dat veel zaken heel anders liggen
bij cliënten uit andere culturen. Voorbeelden hebben echter ook nadelen:
dat hulpverleners denken dat het zo is bij alle cliënten uit die betreffende
culturele groep.
Elke cliënt heeft zijn eigen verhaal. Natuurlijk kunnen algemeenheden
worden gegeven, bijvoorbeeld over de visie van de koran op homoseksualiteit.
Hoe een individuele moslim met die algemeenheden omgaat, en hoe dat zijn
invloed heeft op hulpverlening, is echter een volgende kwestie. Iedere
cliënt heeft immers zijn eigen niveau van inbedding in de cultuur van
oorsprong, en zijn eigen niveau van acculturalisatie aan de Nederlandse
cultuur of aan een ander in het land voorkomende cultuur. Subculturen
binnen gemeenschappen komen ook frequent voor. Een eenduidig beeld van
de Nederlandse moslimcultuur valt bijvoorbeeld zo helemaal niet te geven.
Hoe het met die ene cliënt zit, moet dus met de gewone huis-, tuin- en
keukenmethoden van de GGZ uitgezocht worden. Deze dienen aangepast te
worden aan de nieuwe groepen hulpvragers. Er dienen veranderingen te komen
in de diagnostiek, psychometrische testen, de communicatie, de hulpverlening,
de preventie, het wetenschappelijk onderzoek. Adviezen van antropologen
hierover dienen serieus bestudeerd te worden.
In 'de Vonk' (de afdeling van Centrum '45 voor getraumatiseerde vluchtelingen
in Noordwijkerhout) is een poging tot betere diagnostiek gedaan middels
het 'cultureel interview' (zie Borra e.a., 2002 en Rohlof, 2004). Het
cultureel interview geeft veel informatie over acculturatie, culturele
identiteit, verklaringsmodellen van ziekte, en cultuurspecifieke stressoren
en hulpbronnen. Het volgt de clusterindeling van de Cultural Formulation.
Ook biedt het cultureel interview adviezen aan de behandelaar. Het cultureel
interview is echter tijdsintensief. Weliswaar is deze tijd declarabel
te maken door het interview als psychodiagnostische verrichting op te
voeren, maar dan blijft de vraag of de gespendeerde tijd in verhouding
staat tot de opbrengst . Op 'de Vonk' zijn we nu van mening dat het cultureel
interview voorbehouden dient te blijven tot die gevallen, waarin een grote
culturele kloof bestaat tussen hulpvrager en hulpverlener, en die kloof
ook problemen geeft in de diagnostiek en behandeling.
Inmiddels is een werkgroep binnen 'de Vonk' bezig met een andere oplossing.
Die heeft te maken met een andere ontwikkeling. Eind 2003 heeft de Nederlandse
Vereniging voor Psychiatrie een richtlijn uitgebracht over het psychiatrisch
onderzoek. Deze wordt binnenkort gepubliceerd. In de richtlijn worden
nieuwe voorstellen gedaan voor de gehele intake. Opvallend in de richtlijn
is de aandacht die besteed wordt aan het uitvragen van het oordeel van
de cliënt zelf over zijn klachten, en de maatregelen die hij genomen heeft
om de klachten te bestrijden. In feite valt een gedeelte van het tweede
cluster van de Cultural Formulation hier al onder. Andere zaken zoals
culturele identiteit en culturele afstand tussen hulpvrager en hulpverlener
staan niet vermeld. De werkgroep van 'de Vonk' wil in de komende tijd
de intake-format gaan aanpassen aan de richtlijn van de NVvP en de Cultural
Formulation. Zodoende zal het cultureel interview voor het grootste deel
overbodig worden. Dit alles gaat over de diagnostische fase. In de behandeling
blijft het ook altijd noodzakelijk vragen te stellen over de toepasbaarheid
van onze Westerse behandelmethoden. Een eenvoudig voorbeeld daarvan is
de assertiviteitstraining: die gaat uit van heel Westerse concepten over
het verkondigen van eigen meningen. Aanpassingen van dit soort behandelmethoden
of het ontwikkelen van geheel nieuwe methoden blijft belangrijk. Weliswaar
is er nog niet zoveel bekend over de werkzaamheid van diverse behandelingen,
maar de literatuur is wel groeiende (Tseng & Streltzer, 2001).
Daarnaast is het zaak te kijken naar de toepasbaarheid van vragenlijsten
ten behoeve van diagnostiek en wetenschappelijk onderzoek, en naar de
methodologie van dat onderzoek. De roep om meer wetenschappelijke gegevens
betreffende diagnostiek en behandeling van etnische minderheden kan immers
pas worden beantwoord, als er betrouwbare middelen zijn om de gegevens
te produceren. Daar ligt een taak voor het volgende decennium. In de GGZ
is het immers steeds duidelijker dat we in een multiculturele samenleving
leven. Weliswaar lijken de politici van de jongste generatie dat te ontkennen,
maar de praktijk van alledag wijst anders uit. Dat blijkt wel uit de casuïstiek
in dit boek. We moeten daarbij blijven bedenken dat het de hulpverleners
zijn die naar het spreekuur gingen, als ze iets niet begrepen. Als álle
diagnostiek en behandeling kritisch bekeken zou worden door een antropoloog
of een andere transcultureel deskundige zou waarschijnlijk een veelvoud
van de casuïstiek gepresenteerd zijn.
Mijn conclusie is dat het intercultureel spreekuur een prima initiatief
is, omdat het de hulpverleners een bredere blik op de cliënt geeft. In
de individuele cliënt is de complexiteit waar te nemen van de culturele
inpassing: er kunnen weinig algemeenheden worden gepresenteerd. Zoals
in hoofdstuk 2 is aangegeven dient een intercultureel spreekuur echter
ingebed te zijn in een reeks van maatregelen. In het interculturalisatiebeleid
van de GGZ Groep Europoort is daar aandacht aan besteed. Het intercultureel
spreekuur gaat in deze instelling samen met interculturalisatie op andere
gebieden: deskundigheidsbevordering, personeelsbeleid, en veranderingen
in diagnostiek en behandeling. Pas dan is er sprake van voorwaarden voor
een goede zorg voor etnische minderheidsgroepen. Andere instellingen kunnen
aan de slag gaan!
Literatuur:
Borra, R. van Dijk, R., Rohlof, H.(2002). Cultuur, classificatie en diagnose,
Bohn Stafleu van Loghum, Houten
Rohlof, H. (2004).
Interculturele diagnostiek en verklaringsmodellen. In: Hans Rohlof, Aziza
Sbiti en Alexander Snijdewind (red.). Culturen zonder muren. Mension,
Badhoevedorp.
Tseng, W-S, & Streltzer, J. (2001). Culture and Psychotherapy. American
Psychiatric Press, Washington.
{Voorpagina
Rohlof Pages}
|