|
Cultuur
en ziektebeleving
Hoofdstuk
4 uit 'Vluchtelingen in de GGZ'
Onder
redactie van Hans Rohlof, Mia Groenenberg en Coen Blom
uitgegeven door
Pharos te Utrecht, 1999
Hans
Rohlof
In dit hoofdstuk wordt
ingegaan op de invloed van de cultuur op de ziektebeleving van de vluchteling
en op de behandeling in de geestelijke gezondheidszorg. Eerst worden definities
gegeven, en wordt aan de hand van een casus getoond wat de haken en ogen
zijn in een transculturele behandeling. Vervolgens worden de verschillende
fasen in de behandeling in de geestelijke gezondheidszorg nagelopen op
de problemen die er bestaan vanwege culturele verschillen.
Vluchteling en
cultuur
Vluchtelingen in Nederland komen uit zeer verschillende landen. De grootste
groepen asielzoekers kwamen in 1996 uit Irak, Afghanistan en Iran, maar
er kwamen ook aanzienlijke groepen uit Sri Lanka, Somalië en Sudan (VluchtelingenWerk,
1997). Dat deze vluchtelingen uit landen met een heel andere cultuur dan
de Nederlandse komen moge duidelijk zijn. Hierbij wordt cultuur gedefinieerd
als ‘het geheel aan betekenissen, waarden en gedragingen die aangeleerd
en overgedragen worden in een gemeenschap en in zijn sociale groepen'
(Mezzich e.a., 1993). Als we spreken van een cultuur van een bepaald land
of een bepaalde regio, dan spreken we over de cultuur van de dominante
groep ter plekke. Duidelijk is wel dat die cultuur vaak een mengcultuur
zal zijn: zoals bijvoorbeeld de Nederlandse eetcultuur erg beïnvloed is
door de Indische en Mediterrane keuken. Als vluchtelingen zich in de geestelijke
gezondheidszorg met klachten of problemen melden zullen deze ook door
hun culturele achtergrond gekleurd zijn. Hoe de culturele inkleuring de
diagnostiek en behandeling beïnvloedt wordt beschreven in dit hoofdstuk.
Casus: de lange
arm van de tovenaar.
Een 35-jarige man uit centraal Afrika meldt zich met klachten van somberheid,
passiviteit, angsten en nachtmerries. Hij is gevlucht vanwege politieke
problemen. Bij nadere anamnese blijkt zijn echtgenote door zijn politieke
tegenstanders vermoord te zijn. Hij heeft dit gehoord van haar familie.
Haar familie geeft hem hiervan de schuld, en heeft hem ook per brief gemeld
dat ze een tovenaar in de armen hebben genomen om hem ziek te maken. Onderzochte,
ofschoon een ontwikkeld man, laat zich hier erg door imponeren. Hoewel
hij verder vrij nuchter is, kan hij de angst dat de tovenaar, de ‘marabout',
hem weet te treffen niet van zich afzetten. ‘Ik ben immers Afrikaan en
weet dat dit soort dingen gebeuren'. Zijn schuldgevoelens en rouw om zijn
verloren echtgenote worden zo versterkt door zijn angst voor betovering:
aangezien hij zich toch al slecht voelt, is het alsof de schoonfamilie
en de tovenaar al resultaat hebben behaald, al zijn ze dan drieduizend
kilometer van hem verwijderd. Door met hem open over zijn relatie met
zijn overleden vrouw te praten, enige rouwrituelen te laten plaatsvinden
en zijn depressie op een Westerse manier te behandelen wordt er toch enige
vooruitgang geboekt, hoewel de angst hardnekkig blijft.
In de beschreven casus
speelt de angst voor betovering een rol. Bij veel Afrikaanse, Zuid- en
Midden-Amerikaanse en sommige Aziatische patiënten kan dit voorkomen.
Er zijn twee verkeerde reacties van de Westers opgeleide hulpverlener
op deze fenomenen. De eerste is de volslagen ontkenning, en het pogen
de patiënt ervan te overtuigen dat dergelijke fenomenen niet bestaan.
Bij deze reactie gaat de hulpverlener, hoewel natuurlijk wel van goede
wil, voorbij aan de wortels die de patiënt heeft in zijn oorspronkelijke
cultuur, en aan het feit dat hij die wortels niet direct kan verbreken.
De tweede reactie is de patiënt zo snel als mogelijk is te verwijzen naar
een inheemse genezer die zijn eigen rituelen kan toepassen ter bestrijding
van de bezetenheid. Hoewel bij deze handelswijze veel recht wordt gedaan
aan de eigen cultuur van de patiënt, is het toch beter hem of haar zelf
in behandeling te houden. Het kan zijn dat de patiënt te weinig profiteert
van een inheemse genezer omdat hij inmiddels al enigszins verwesterd is.
Daarnaast kan het zijn dat de patiënt meer behoefte heeft aan en meer
baat heeft bij een gesprekstherapeutisch contact. Bij doorverwijzing is
men de patiënt kwijt zonder altijd de kans op een succesvolle behandeling
bij de genezer. Zoals bij veel zaken ligt de ideale reactie in het midden.
Respect voor de eigen cultuur, een luisterende en begripsvolle houding,
en een mix van Westerse en, door de hulpverlener of door een toegevoegde
aparte genezer toegepaste cultuureigen behandelmethoden slaat in veel
gevallen het beste aan. De Afrikaanse cultuur is hierboven duidelijk alomtegenwoordig.
Bij de meeste contacten met in Nederland verblijvende vluchtelingen zijn
er veel subtielere culturele verschillen, vergeleken met contacten met
Nederlandse patiënten. Dit verschil loopt door de gehele behandeling heen.
Intakefase
Bij de intake zijn er vaak al direct misverstanden. De Nederlandse hulpverlener
is in het algemeen sterk actiegericht, tracht veel uit te vragen, en probeert
ook zo snel mogelijk naar oplossingen voor de problemen toe te werken.
Daarbij is de Nederlander van volksaard gemakkelijk in de omgang, vrij
direct, vlot in de tong, en geneigd om snel over allerlei intieme zaken
te praten. Ook is hij wars van (zijn eigen) autoriteit en staat graag
op voet van gelijkheid met anderen. Hoewel de vluchtelingen-patiënten
zoals beschreven uit zeer diverse culturen komen zullen zij allen toch
vreemd aankijken tegen deze goedmoedige, extraverte, maar naar hun gevoel
wat onbehouwen Nederlandse man of vrouw. Het is goed om te beseffen dat
er in andere culturen nog steeds een groot verschil is tussen de patiënt
en de hulpverlener, of die nu dokter of verpleegkundige (of een andere
discipline) is. De patiënt zal er langer over doen om op voet van vertrouwelijkheid
te komen met de hulpverlener. Er dient dus veel meer tijd te worden besteed
aan het leggen van een goede relatie. Als die relatie echter goed is is
de patiënt ook veel meer geneigd de aanwijzingen en adviezen van de hulpverlener
te volgen dan de gemiddelde Nederlandse patiënt, die veel kritischer het
handelen van de hulpverlener blijft volgen. Bij vluchtelingen komt hier
nog bij dat er bij velen onder hen al een zekere achterdocht bestaat tegenover
autoriteiten (of tegenover hen die zij zo zien), zuiver door hun slechte
ervaringen met autoriteiten, zowel in hun land van oorsprong als in Nederland.
Die achterdocht bestaat ook tegenover landgenoten en tegenover de eigen
cultuur, als gevolg van slechte ervaringen (Rohlof & Jasperse, 1996).
Het is duidelijk dat de Nederlandse hulpverlener zeer tegen zijn eigen
aard in moet gaan, en zichzelf en zijn patiënt in alle opzichten meer
tijd moet gunnen in de intake-fase.
Diagnostische problemen
In de diagnostische fase zijn ook veel onduidelijkheden. Uiteraard zijn
er vaak diagnostische problemen. Een bekend probleem is dat van de aan-
of afwezigheid van psychotische verschijnselen. Dit is in feite al een
heel oud vraagstuk. Het staat in het eerste boek van Samuel in het Oude
Testament al beschreven. De joden hadden toen al moeite om goed te beseffen
dat hun koning Saul echt mesjokke was, en niet toevallig ‘onder de profeten'
(één van de profeten) (Rosen, 1968). In die tijd had men dus al moeite
met het onderscheid van vreemd gedrag dat in de cultuur een eigen plaats
heeft, en vreemd gedrag dat daarvoor te bizar en ongerijmd is. Dit is
dan ook het criterium geworden: als vreemd gedrag een bepaalde functie
heeft wordt het niet als psychotisch bestempeld en als het ook door personen
uit dezelfde cultuur wordt afgewezen als deviant en disfunctioneel wordt
het als psychotisch beschouwd (mits het natuurlijk beantwoordt aan de
criteria van een psychose: wanen en hallucinaties). Dit geldt in wat mindere
mate ook voor diverse andere psychische stoornissen. Zowel in het Westen
als in andere culturen komen ook nog cultuurgebonden stoornissen voor,
die op een bepaalde manier een functie kunnen hebben in de cultuur. In
het Westen komt bijvoorbeeld anorexia nervosa voor welk ziektebeeld in
verband staat met de sterke wens om slank te blijven. In Azië heb je bijvoorbeeld
koro: een overdreven schrikreactie, die bij de sociale verhoudingen in
die cultuur goed begrepen kan worden (Mezzich e.a., 1996; Jilek, 1998).
Emoties hebben in wezen een sterk cultuurgebonden patroon. Diverse auteurs
benadrukken dat de basis-emoties van bijvoorbeeld woede en verdriet over
de gehele wereld vrijwel hetzelfde voorkomen maar dat de expressie nogal
uiteen kan lopen (Mesquita, 1997). Dat kan in de spreekkamer verwarring
geven in de diagnostische en ook in de latere fasen. Afrikaanse patiënten
bijvoorbeeld tonen zich als ze depressief zijn zeer apathisch zodat men
in de verleiding komt te denken dat er van een katatone toestand sprake
is. Bekend is verder ook de manier waarop depressies zich 'maskeren' in
allerlei lichamelijke symptomen. Sommigen stellen terecht dat het psychologisch
beleven van een depressie slechts voorkomt bij een zeer klein gedeelte
van de wereldbevolking: de middenklasse (en hoger) in de Westerse wereld.
In het Westen bestaat er traditioneel een sterke scheiding van lichaam
en geest (in feite een erfenis van Descartes, de 18e eeuwse Franse filosoof,
wiens geschriften overigens verkeerd uitgelegd zijn). In andere culturen
bestaat dit onderscheid niet, zodat ook psychische klachten en lichamelijke
klachten pur sang dus niet bestaan. De patiënt beleeft zijn ziekte dus
anders, zodat we niet van ‘somatisatie' kunnen spreken, maar eerder een
klacht in zijn holistische betekenis moeten doorgronden. Bij de gevolgen
van psychotraumata is deze pseudo-somatisatie ook een bekend fenomeen.
Ook komt vermenging voor van psychische en lichamelijke klachten als gevolgen
van traumata zoals martelingen. Maar ook worden psychische gevolgen vaak
op een begrensd somatisch gebied beleefd terwijl er toch geen afwijkingen
of slechts minimale afwijkingen in dat gedeelte van het lichaam aantoonbaar
zijn. Een grote rol speelt hierbij de emotionele beleving en verwerking
van de door anderen aangedane inbreuk op de integriteit van het eigen
lichaam. Het maakt immers groot verschil of men een verwonding heeft opgelopen
door een ongeval of dat hij opzettelijk door een ander aangebracht is.
Aan de laatste verwonding blijven altijd veel meer emoties van verdriet
en woede kleven. Temeer speelt dit als er ook sprake is van vermindering
van lichamelijke functies. Depressies kunnen ook verschillende repercussies
hebben. Hierbij speelt de behoefte aan meer autonomie in het Westen een
rol. In andere culturen, zoals de Japanse, is men meer geneigd de groep
voorop te zetten, en is de rol van de familie en het respect voor ouderen
in de familie veel groter. Als een westerling depressief wordt en afhankelijk
van anderen kan hij daar veel meer moeite mee hebben vanuit zijn afkeer
voor afhankelijkheid dan iemand die in zekere zin toch al afhankelijk
is (Radford e.a., 1991). Bij de ziektebeleving als gevolg van traumata
spelen nog meer cultuurgebonden zaken een rol. In het Westen heeft men
de neiging om de loop van de eigen geschiedenis meer als individueel bepaald
en ook individueel bepaalbaar en maakbaar te zien. In andere culturen
ziet men zichzelf als onderdeel van het grote geheel: daardoor is men
minder persoonlijk verantwoordelijk voor situaties waar men tijdens zijn
leven in terecht is gekomen: de individuele keuzevrijheid was immers minder.
Een voorbeeld hiervan is hoe Nederlandse veteranen uit de tijd van de
politionele acties in voormalig Nederlands Indië verschillen van hun Indonesische
collega's. Hoewel er aan beide kanten gruwelijkheden zijn verricht, ziet
de Indonesiër zichzelf meer als 'blad, dat op de vijver van de geschiedenis
mee beweegt op de golven van de tijd'. De Nederlander daarentegen, zeker
als hij uit een calvinistische achtergrond komt, is veel meer bezig is
met zijn eigen geweten, omdat hij zichzelf in staat achtte te kiezen (Schot,
1998).
Behandeling
In de behandelfase
gaat het erom zoveel mogelijk aan te sluiten bij de culturele beleving
van de patiënt. Marsella e.a. (1996) geven in een uitstekend overzichtsartikel
de stand van zaken weer wat betreft cultuurspecifieke vormen van behandeling
van de posttraumatische stress-stoornis. Zij komen tot de conclusie dat
er helaas nog weinig specifieke vormen van behandeling zijn beschreven
die volledig rekening houden met de eigen cultuur van de patiënt. Een
uitzondering hierop is volgens hem de behandelingsvorm die ontwikkeld
is door Parson (1990) voor Afrikaans-Amerikaanse veteranen. Hij noemt
deze behandelvorm de posttraumatische psychoculturele therapie. In deze
behandelingsvorm brengt hij elementen in als de discrimnatie van zwarten
in Vietnam en na de oorlog in de Verenigde Staten, maar ook de positie
van hen die stamt uit de slaventijd. Overigens is de positie van de Vietnam-veteranen
als groep in een land dat de oorlog verafschuwd heeft en de soldaten beschouwde
als moordenaars ook sterk negatief cultureel bepaald geweest. Pas nu komen
daar meer inzichten over: lange tijd zijn hun klachten enkel puur psychologisch
of medisch bekeken geweest. In zekere zin zou men de ‘getuigenismethode'
ook wel als een cultuurspecifieke behandelmethode kunnen zien. In de getuigenismethode
wordt de patiënt uitgenodigd zich als getuige te presenteren van misdaden
die niet alleen tegen hem of haar, maar ook tegen de gehele maatschappij
gepleegd zijn (Cienfuegos & Monelli, 1983). Deze methode, in Zuid-Amerika
ontworpen, past goed in de culturele en politieke beleving van de Zuid-Amerikaanse
vluchtelingen en heeft daardoor succes gehad bij deze groep. Of bij andere
groepen deze methode ook aan zal slaan valt nog te bezien. In Zuid-Afrika
wordt een andere methode uitgeprobeerd. Na de val van de apartheid werd,
mede op instigatie van de charismatische leider Nelson Mandela, een ‘waarheids-commissie'
opgericht. Deze commissie had onder andere ten doel degenen die onder
de apartheid geleden hadden te helpen door hun boosdoeners te laten getuigen
over hun misdaden. Bij getuigenis was er voor de laatstgenoemden de mogelijkheid
amnestie te verkrijgen. Ondanks kritiek op deze commissie - misdadigers
zouden te snel vrijuit kunnen gaan- heeft de commissie voor de slachtoffers
veel opgeleverd. Bij deze waarheidscommissie speelt het streven naar een
nieuwe cohesie in de maatschappij een grote rol. Hierbij is het zogenaamde
‘ubuntu'-gevoel aanwezig, een begrip dat uit de Bantoe-cultuur stamt,
letterlijk betekent: ‘niet ik ben, maar wij zijn' en zo het positieve
groepsgevoel benadrukt (K.Asmal e.a., 1996). Bij het beëindigen van een
behandeling kan men tenslotte ook misverstanden krijgen die te maken hebben
met culturele verschillen. Terwijl Nederlandse patiënten zich op een gegeven
moment makkelijk kunnen uiten over een ervaren sterke verbetering, kan
het bij allochtonen van een overmoedig tarten van het lot en het opperwezen
getuigen om dat te beweren. Men moet dus vaak op een subtielere manier
aanvoelen dat de behandeling tot een succesvol einde gebracht kan worden.
Een open einde met de afspraak zich weer te melden bij verslechtering
is te verkiezen. Bij vluchtelingen is een dergelijke afspraak trouwens
sowieso te verkiezen gezien de kans dat nieuwe ontwikkelingen in hun dagelijks
bestaan ook weer nieuwe symptomen kunnen veroorzaken. Als men gedurende
alle fasen van de behandeling rekening blijft houden met cultuureigen
fenomenen, ‘cultureel competent' blijft, is men verzekerd van betere communicatie
met de patiënt en dus van veel meer kans op een goede en succesvolle afloop.
Literatuur:
Asmal, K., Asmal, L., Roberts, R.S. (1996). Reconciliation through truth:
a reckoning of apartheid's criminal governance. Cape Town and Johannesburg.
David Phillip publisher in association with Mayibuye Books.
Cienfuegos, A.J. & Monelli, C. (1983). The testimony of political repression
as a therapeutic instrument. American Journal of Orthopsychiatry, 53:
41-53.
Jilek, W. (1997). Koro. Transcultural Psychiatry newsletter, 15: 3.
Marsella, A.J., Friedman, M.J., Huland Spain, E. (1996). Etnocultural
aspects of PTSD: an overview of issues and research directions. In: Marsella,
A.J., Friedman, M.J., Gerrity, E.T., Scurfield, R.M. Ethnocultural aspects
of posttraumatic stress disorder. American Psychological Association,
Washington, D.C.
Mesquita, B. (1996). Emoties vanuit een cultureel perspectief. In: de
Jong, J. & van den Berg, M.(redactie), Transculturele psychiatrie en psychotherapie.
Swets & Zeitlinger, Lisse.
Mezzich, J.E., Kleinman, A., Fabrega, J. e.a. (1993). Revised cultural
proposals for DSM-IV (technical report). Pittsburgh, PA, NIMH Culture
and diagnosis group. Mezzich, J.E., Kleinman, A., Fabrega, H. e.a. (1996).
Culture and psychiatric diagnosis. American Psychiatric Press, Washington,
D.C.
Parson, E. (1985). Post-traumatic psychocultural therapy (PtpsyCT): Integration
of trauma and shattering social lables of the self. Journal of Contempary
Psychotherapy, 20: 237-258.
Radford, M.H.B., Nakane, Y., Ohta, Y. e.a. (1991). Decision making in
clinically depressed patients: a transculturally social psychological
study. Journal of Nervous and Mental Diseases, 179: 711-719.
Rohlof, J.G. & Jasperse, A. (1996). Cultuur, migratie en verlies. Medische
antroplogie, Tijdschrift over Gezondheid en Cultuur, 8: 78-86.
Rosen, G. (1968). Madness in Society. Harper & Row, New York and Evanston.
Schot, H. (1998). Persoonlijke mededeling bij de film ‘Tabé Tuan'.
VluchtelingenWerk (1998). Vluchtelingen in getallen. VluchtelingenWerk,
Amsterdam.
{Voorpagina
Rohlof Pages}
|