|
Groepstherapie
met getraumatiseerde vluchtelingen
Hans
Rohlof
2001
Inleiding
Het aantal allochtonen
die als vluchteling Nederland zijn binnengekomen, neemt gestadig toe vanaf
het begin van de negentiger jaren. Ook van vóór die tijd zijn er al veel
allochtonen met een vluchtelingen-achtergrond in Nederland. Nederland
is vanouds een vluchtelingenland: in vroeger eeuwen kwamen veel joden,
Hugenoten, andere protestanten en Duitsers ons land binnen, gevlucht voor
vervolging vanwege ras of godsdienst. Begin vorige eeuw was er ook een
grote trek van Belgische vluchtelingen tijdens de eerste wereldoorlog.
De recente geschiedenis laat het volgende beeld zien. Van 1973 tot 1977
kwamen voornamelijk vluchtelingen uit Zuid-Amerika naar ons land: volgens
opgave van VluchtelingenWerk Nederland werden 1041 Chilenen, 56 Argentijnen,
132 Uruguayanen, 28 Bolivianen en 4 overige Zuid-Amerikanen uitgenodigd
en kregen nog 200 andere Zuid-Amerikanen een status na eerst asielzoeker
te zijn geweest: een asielzoeker is een nog niet erkende vluchteling.
In totaal gaat het hierbij dus om 1461 personen. Volgens cijfers van het
ministerie van WVC zijn tussen 1977 en 1990 in totaal ruim 90.000 vluchtelingen
en asielzoekers binnengekomen: 11177 uitgenodigde vluchtelingen, 7565
individuele vluchtelingen (dat zijn erkende, niet-uitgenodigde vluchtelingen)
en 72808 asielzoekers, waarvan een groot aantal een status heeft gekregen
(Vluchtelingenregistratiesysteem ministerie van WVC, 1992, in van Willigen
en Hondius, 1992). Bij de uitgenodigde vluchtelingen uit deze jaren vormden
de Vietnamezen (8211), de Iraniërs (1137) en de Chilenen (429) de grootste
groep, bij de groep individuele vluchtelingen waren dat de Iraniërs (1580)
en Turken (1087). Volgens opgave van de Hoge Commissaris van de Vluchtelingen
verbleven er op 1 januari 1988 24000 vluchtelingen in Nederland, waarbij
niet vermeld is vanaf welk jaar het aantal is geteld. Van vóór 1990 zijn
er dus ruim 20.000 erkende vluchtelingen in Nederland, en een groot gedeelte
van de ruim 70.000 asielzoekers die inmiddels een status zullen hebben
gekregen.
Na 1990 is de stroom
vluchtelingen naar Nederland aanzienlijk toegenomen. Enerzijds was de
oorzaak hiervan de onrust in de wereld, en de diverse oorlogen die ook
op het Europese continent plaatsvonden. Aan de andere kant had en heeft
ook de sterk toegenomen mobiliteit in de wereld hiermee te maken: door
de betere reismogelijkheden komen ook vluchtelingen uit verder gelegen
gebieden sneller naar West-Europa. Het aantal personen dat asiel vraagt
is vanaf het begin van de negentiger jaren tussen de 30.000 en 45.000
per jaar. In het begin van de negentiger jaren waren dat vooral mensen
uit voormalig Joegoslavië, vooral Bosniërs, en Iraniërs, Irakezen en Somaliërs.
De laatste jaren zijn daar grote aantallen Afghanen, Sierra Leonezen,
Soedanezen en personen uit de zuidelijke voormalige Sovjet-republieken
zoals Georgiërs, Tsjetsjenen, Armeniërs en Azeri bijgekomen. In de jaren
1997 tot en met 1999 was de groep afkomstig uit Irak de grootste: in totaal
over de drie jaren 21649. Vervolgens kwamen in die jaren 17438 Afghanen
naar Nederland, en 11509 personen uit Bosnië en Joegoslavië. Het aantal
nieuwe asielzoekers uit Iran neemt de laatste jaren flink af tot 4459.
Hoe is het nu gesteld met de psychische gezondheid onder deze groepen
die vaak kort voor hun vlucht met oorlogsgeweld en/of vervolging te maken
hebben gehad? In Nederland zijn drie epidemiologische studies verricht
onder groepen vluchtelingen.
1. Hondius en van Willigen (1992) deden een groot onderzoek bij vluchtelingen
uit het Midden-Oosten en Latijns Amerika die zich bij het toenmalige Centrum
Gezondheidszorg Vluchtelingen (CGV) hadden aangemeld. Dat was een retrospectief
dossieronderzoek. Daarnaast deden ze prospectief onderzoek bij Turkse
en Iraanse vluchtelingen die hulp zochten bij het CGV (n=44) of zich in
een opvangsituatie bevonden (n=96) of in geen van beiden (n=16). Bij het
retrospectief onderzoek vonden ze een laag percentage posttraumatische
stress-stoornissen: slechts 6%, en bij het prospectief onderzoek slechts
11%. Wel geven ze aan dat er selectiebias heeft plaatsgevonden. Bij het
retrospectieve onderzoek kan een aantal reeds goed behandelde vluchtelingen
geteld zijn. Bij het prospectieve onderzoek zijn er veel uitsluitingen
gedaan: zo zijn 14% van de vluchtelingen door behandelaars bij het CGV
uitgesloten op grond van te ernstige psychiatrische beelden! Hondius en
van Willigen noemen het belang van psychometrische instrumenten om het
communiceren over psychische klachten te bevorderen. Ze geven aan dat
het merendeel van de vluchtelingen geweld heeft ondergaan: 92% in het
retrospectieve onderzoek en 99% in het prospectieve onderzoek. Daarvan
bestond een groot deel uit martelingen: 44% bij het retrospectieve en
76% bij het prospectieve onderzoek. De gevolgen hiervan worden blijkbaar
voornamelijk in somatische symptomen vertaald: de vluchtelingen hebben
gemiddeld ongeveer 8 medische klachten.
2. Van den Heuvel (1998) deed een onderzoek bij 41 willekeurig gekozen
erkende vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië, een respons van 40% op
een verstuurd verzoek. Hij gebruikte psychometrische schalen om de traumatisering,
de gezondheid en het sociaal functioneren te meten. Hij concludeert dat
de groep een kwetsbare gezondheid had en dat een aanzienlijk deel een
opeenhoping had van meerdere problemen met de gezondheid. Twee-derde van
de groep scoorde positief op de depressie-schaal. Ook meldde twee-derde
meer dan tien beleefde of waargenomen traumatische gebeurtenissen. De
gezondheidsproblemen hadden niet te maken had met sociodemografische variabelen
maar wel met de voorgeschiedenis van traumatische gebeurtenissen. Hij
adviseert de gezondheidszorg om maatregelen te nemen teneinde de accumulatie
van gezondheidsproblemen te verhinderen, met name op het gebied van gezondheidsvoorlichting
en preventie.
3. Roodenrijs e.a. (1998) deden een onderzoek bij 54 vluchtelingen uit
Somalië. Ze gebruikten ook vragenlijsten teneinde een inzicht te krijgen
in het klachtenpatroon. Gebruik makend van de afkappunten in de vragenlijsten
concluderen ze dat bij 31,5% sprake is van een posttraumatische stress-stoornis
(PTSS), bij 36% van angstproblematiek en bij 63% van depressieve problemen,
waarbij een aanzienlijke comorbiditeit bestaat. Er bleek ook frequent
artsbezoek te bestaan, waarbij echter vooral somatische klachten worden
gemeld en zelden psychische. Een bias is dat dit onderzoek tijdens de
Ramadan uitgevoerd is, waardoor er weigeraars waren maar wellicht ook
wat ernstiger klachten bij de onderzochten.
Bij het recentere epidemiologische onderzoek bleken er aanzienlijk meer
symptomen voor te komen bij de groepen vluchtelingen dan bij het oudere
onderzoek. Dat kan te maken hebben met de onderzoeksmethoden, maar ook
met verschillen tussen de groepen vluchtelingen. Daarbij is het van belang
op te merken dat de ex-Joegoslaven en Somaliërs uit ernstiger oorlogssituaties
zijn gekomen dan de eerdere groepen Turkse en Iraanse vluchtelingen. De
laatsten kunnen echter weer een ernstiger traumatische achtergrond hebben
met gevangenschap en marteling. Een relatie met het type trauma is door
de onderzoekers niet gelegd.
De recentere studies zijn ook meer in overeenstemming met wat in de rest
van de wereld wordt gevonden bij vluchtelingen. Weine e.a.{2000) vonden
bij 70% van 41 niet bij de GGZ aangemelde Bosnische vluchtelingen in de
Verenigde Staten een diagnose van PTSS. Ze vergeleken deze groep met een
andere groep vluchtelingen die zich bij de GGZ aangemeld had, die allen
PTSS bleken te hebben. Depressiviteit was in de niet aangemelde groep
lager, evenals de ernst van de traumatisering. Zij concluderen dat PTSS
bij alle vluchtelingen veel voorkomt, maar bij sommigen minder tot hulpzoekgedrag
leidt. Thulesius en Hakansson (1999) vonden in Zweden bij 206 Bosnische
vluchtelingen getallen van 18 tot 33% PTSS, afhankelijk van verschillende
vragenlijsten, vergeleken met 0,3 tot 1% bij bezoekers van een centrum
voor gezondheidszorg. Zij concludeerden ook dat het voorkomen van psychische
symptomen hoog was bij de groep vluchtelingen, die niet in behandeling
waren. Veel andere studies tonen aan dat de frequentie van PTSS bij vluchtelingen,
ook in de derde wereld, hoog is (Fox en Tang, 2000, Kozaric-Kovacic e.a.,
2000, Peltzer, 1999, Steel e.a., 1999, Mollica e.a, 1999, Favaro e.a.,
1999). Oorlogen en onderdrukkend geweld gaan logischerwijs gepaard met
veel psychische na-effecten. Deze effecten zijn nog na lange tijd te meten.
Weine e.a. (1998) vonden bij 34 onbehandelde Bosnische vluchtelingen een
daling van PTSS-diagnosen van 75% naar 45% na een jaar verblijf in de
Verenigde Staten, maar bij acht van hen nam de ernst van de symptomen
juist toe. Oudere vluchtelingen bleken een risico-groep.
Het lijkt dus dat de groep vluchtelingen en asielzoekers die zich in de
laatste jaren bij de Nederlandse GGZ heeft aangemeld het topje van de
ijsberg is. Vele vluchtelingen die inmiddels in Nederland zijn ingeburgerd
zullen de komende jaren zich alsnog aanmelden met blijvende symptomen
van PTSS, depressiviteit en dergelijke. De redenen dat recent aangekomen
vluchtelingen zich nog niet bij de GGZ melden kunnen divers zijn. Veel
vluchtelingen voelen een drempel om naar een instelling voor psychische
hulpverlening te gaan, omdat in hun land van herkomst slechts ernstig
geestelijk gestoorde mensen daar terechtkomen. Daarnaast hebben veel vluchtelingen
het gevoel dat extern aangedaan leed niet via psychologische behandelmethoden
kan genezen maar enkel via externe maatregelen. Tenslotte kunnen hulpverleners
in het algemeen gewantrouwd worden, als vertegenwoordigers van de Nederlandse
overheid, of soms zelfs als vertegenwoordigers van een beroepsgroep die
martelingen mede mogelijk heeft gemaakt.
Als vluchtelingen en asielzoekers zich melden als patiënt in de GGZ is
hun klachtenpatroon divers en complex. Kleijn e.a. (1998) deden onderzoek
naar de problematiek van degenen die zich aanmelden als patiënt bij de
Vonk, een afdeling van Centrum '45 voor de behandeling van getraumatiseerde
vluchtelingen. Hierbij werden 232 aangemelde vluchtelingen en asielzoekers
onderzocht. Meer dan 93% had volgens vragenlijsten last van angsten of
depressiviteit. Daarnaast kwam de klinische diagnose PTSS bij meer dan
77% van de patiënten voor, en volgens de vragenlijst kwam PTSS bij meer
dan 82% van de patiënten voor.
Silove (1999), een Australisch onderzoeker, zet de ervaringen van vluchtelingen
naar aanleiding van onderzoek in een breder perspectief. Hij stelt dat
een aantal adaptieve systemen bij vluchtelingen met name verstoord zijn.
Het gevoel van veiligheid is weg, waardoor een permanente waakzaamheid
blijft bestaan: de PTSS. Daarnaast geeft het verlies van naasten een stoornis
in de hechting. Het rechtvaardigheidsgevoel is verstoord, waardoor vertrouwen
in overheden en instanties verdwenen is. De vluchteling is zijn identiteit
kwijt, waardoor vragen hierover ontstaan. Tenslotte zijn er vragen rond
het bestaan en de betekenis van het leven, die op existentieel-spiritueel
vlak problemen opleveren. Een dergelijke schets van het vluchtelingenbestaan
geeft meteen aan, hoe complex een behandeling kan zijn, die immers meerdere
vragen en problematieken tegelijkertijd moet aanpakken, die met elkaar
om aandacht vragen.
Behandeling van
vluchtelingen en indicaties voor groepstherapie
De standaardbehandeling
voor patiënten met PTSS is niet zonder meer toepasbaar bij vluchtelingen.
Deze standaardbehandeling is eerder beschreven en bestaat op psychotherapeutisch
gebied uit gedragstherapeutische elementen, vooral exposure (blootstelling
in gedachten aan de traumatische situatie), en een cognitieve benadering
(zie Gersons en Carlier, 1998). Daarnaast zijn er psychofarmaca getest,
die bij patiënten met PTSS werken: vooral de klassieke antidepressiva
en de moderne antidepressiva, de zogenaamde SSRI's (Rohlof, 1995, Hidalgo,
2000). Bij de behandeling van vluchtelingen is het van belang veel behoedzamer
te werk te gaan, en zeker niet direct met exposure te starten. Gezien
de boven beschreven karakteristieken van Silove kan men zich voorstellen
dat er eerst veel aandacht dient te worden besteed aan het leggen van
contact en het opbouwen van een vertrouwensrelatie. Hierbij dienen hobbels
op communicatief gebied te worden genomen. Vaak zijn er tolken nodig bij
de gesprekken. Ook ontstaan er frequent misverstanden die met culturele
verschillen te maken hebben. Zo is een Nederlandse hulpverlener gewend
aan directe communicatie en gaat hij ook uit van assertieve patiënten
die hun mening geven over het behandelaanbod. Bij personen uit andere
culturen is dit niet vanzelfsprekend. Vervolgens is er psychoeducatie
nodig in het begin van een behandeling. Ook bestaan er bij asielzoekers
vaak problemen op sociaal-juridisch gebied. Men dient deze als behandelaar
ook goed te kunnen hanteren, en daarbij de grenzen van de GGZ goed te
bewaken. Voor een uitgebreidere beschrijving van de individuele behandeling
van getraumatiseerde vluchtelingen wordt verwezen naar Rohlof en Hovens
(1998). Voor meerdere aspecten in de hulpverlening aan vluchtelingen,
ook bij kinderen, wordt verwezen naar Rohlof e.a. (1999).Een speciaal
op vluchtelingen toegesneden methode van psychotherapeutische behandeling
is de getuigenismethode, waarin elementen van exposure en cognitieve herstructurering
gecombineerd zijn (van Dijk en Schreuder, 2001). Naar groepstherapie met
vluchtelingen zijn tot nog toe geen vergelijkende experimentele studies
verricht. Wel zijn er beschrijvingen gepubliceerd van verschillende methoden
van groepstherapie met vluchtelingen (Drozdek e.a., 1998, van Emmerik
en van den Heuvel, 1999, Santini en Marsal Roig, 1999, Marsal Roig e.a,
1999, Nicholson e.a, 1999, Fischman e.a., 1990, Kinzie e.a., 1988). Deze
zullen later in dit hoofdstuk uitvoerig worden beschreven. Er zijn echter
geen harde indicaties voor groepstherapie uit te verkrijgen. We moeten
ons dus beperken tot wat zachtere indicaties en contra-indicaties voor
groepstherapie met vluchtelingen. Doelstellingen voor groepstherapie met
vluchtelingen zijn:
1. Het doorbreken van het isolement dat vluchtelingen ervaren na traumatisering
en in ballingschap in een voor hen vreemde omgeving. Het contact met lotgenoten
kan steun en erkenning geven.
2. Het gezamenlijk ontwikkelen van sociale vaardigheden die ten dienste
staan van handhaving in de Nederlandse maatschappij. Hierbij kunnen vaardigheden
van elkaar geleerd worden of in groepsverband onder leiding van een Nederlandse
therapeut worden geoefend.
3. Het in groepsverband ontwikkelen van vaardigheden die ten doel hebben
symptomen van psychische stress en traumatisering te verminderen. Elementen
van ontspanningstraining, concentratie- en geheugentraining, en agressiehantering
kunnen hierbij toegepast worden, in verbale of non-verbale vorm.
Als indicatie voor groepstherapie kan men dus formuleren:
1. Patiënten die zichzelf isoleren vanwege achterdocht, verlaagd zelfbeeld,
of algehele levensmoeheid.
2. Patiënten die moeite hebben zich te handhaven in Nederland vanwege
gebrek aan sociale en culturele vaardigheden.
3. Patiënten die lichamelijke en psychische symptomen van angst, depressie
en posttraumatische stress hebben.
Contra-indicaties bij groepstherapie voor vluchtelingen kunnen divers
zijn:
1. De normale contra-indicaties voor groepstherapie: psychotische uitingen,
ernstige suïcidaliteit, ernstige verslaving aan alcohol of drugs.
2. Een voorgeschiedenis als pleger van ernstige misdaden tegen de menselijkheid.
Deze contra-indicatie kan echter wel met een zekere nuance worden toegepast.
Patiënten die gedwongen zijn geweest mee te doen met bepaalde oorlogshandelingen
als kind kunnen in een groep meestal op veel sympathie van de anderen
rekenen. Hierbij gaat het meestal om kindsoldaten uit landen als Sierra
Leone of Liberia. Bij veteranen die op volwassen leeftijd soldaat zijn
geweest ligt de zaak gevoeliger. Oorlogen zijn echter zelden geheel schoon
gevoerd: dat speelt bij veel veteranen. Zij hebben daar vaak schuld- of
schaamtegevoelens over, of frustraties. Praten hierover in een groep mede-veteranen
kan dan veel herkenning en steun geven.
3. Bij een ex-soldaat van bepaalde volkeren of etnische groeperingen is
het van belang van te voren goed te bepalen of er geen al te grote tegenstellingen
in een groep gaan optreden. Zo kunnen Bosniërs en Serven in een groep
moeilijk samen, of Azeri en Armeniërs. Indien de tegenstellingen als onwerkbaar
moeten worden beschouwd, is het beter een nieuw persoon die de tegenstelling
doet ontstaan niet in een groep op te nemen.
4. Een patiënt met geprononceerde racistische gevoelens kan in een groep
die samengesteld is uit personen van verschillende etnische afkomst voor
problemen zorgen. In een groep van landgenoten hoeft dat geen probleem
te geven.
Groepsvormen
Groepstherapie met vluchtelingen kan verschillende vormen aannemen. Groepen
kunnen open of gesloten zijn (open of gesloten voor nieuwe patiënten),
met een bepaalde gestructureerde opzet of meer vrij van opzet, met deelnemers
van hetzelfde land van afkomst of etnische groep of met deelnemers uit
de gehele wereld, ingebed in dagklinische programma's of als poliklinische
groep, met mannen alleen, met vrouwen alleen of gemengd. Daarnaast kan
de gemeenschappelijke taal van de groepen verschillen: meerdere talen,
waarbij tolken als intermediair optreden, of één taal, waarbij de taal
van het land van oorsprong of de taal van het emigratieland gebruikt wordt.
Al deze verschillen maken dat vóór het starten van een groep met vluchtelingen
er duidelijke keuzen moeten worden gemaakt. Ook het eventuele programma
van de groep dient natuurlijk in grote lijnen voorbereid te zijn. Eén
van de belangrijkste keuzen die men vooraf moet maken is de keuze voor
het wel of niet in groepsverband over trauma's praten. Deze keuze is zelfs
uitgemond in een echte richtingenstrijd binnen de Nederlandse hulpverlening
aan vluchtelingen. Sommigen kiezen voor een expliciete bespreking van
alle eerdere traumata in groepsverband (het 'Bossche model'; Drozdek,
1998), anderen kiezen voor een model waarbij het omgaan met de gevolgen
van traumata en aanpassing in het heden voorop staan: de zogenaamde coping-groepen
(het model van 'de Vonk'; van Emmerik e.a., 1999, Rohlof, 1998). Daarbij
worden diverse argumenten gebruikt. Voorstanders van een snelle bespreking
van traumata wijzen op het belang van de gezamenlijke exposure als verwerkingsmechanisme,
en benadrukken dat een blijven zwijgen over gebeurtenissen het chronisch
worden van stoornissen in de hand werkt. Voorstanders van een voorzichtige
aanpak wijzen onder andere op de negatieve effecten van groepsdebriefing
( zie voor een overzicht Canterbury e.a., 1999). Debriefing is een vorm
van emotionele ontlading in groepen na extreme gebeurtenissen. Diverse
studies hebben aan het licht gebracht dat deze behandelingsvorm een slechter
resultaat heeft dan niets doen. Daarnaast wijzen ze op de onstabiele sociale
situatie van asielzoekers, waardoor traumaverwerking door exposure op
grond van het ontbreken van veiligheid niet aan de orde kan zijn. Veiligheid
is immers een van de criteria, die de belangrijke theoretica van traumabehandeling
Judith Herman noemde als een der basiseisen van een traumaverwerking (Herman,
1993). De verschillende strategieën zijn nog niet goed onderzocht, zodat
er geen advies gegeven kan worden voor een van beide aanpakken. Zeker
is wel dat het van belang is zorgvuldig per patiënt te indiceren voor
ofwel een groep waarin elementen van het bespreken van trauma's centraal
staan, ofwel voor een groep met een meer resocialiserende en coping-gerichte
aanpak: gericht op het omgaan met de gevolgen van traumatisering. Sommige
vluchtelingen zullen bij de ene, andere meer bij de andere vorm van groepstherapie
baat hebben. Een instituut waar meerdere vormen van groepstherapie voor
vluchtelingen beschikbaar zijn heeft daarbij meer kwaliteit te bieden.
Drozdek e.a. (1998) beschreven groepstherapie met Bosnische vluchtelingen
in Nederland, die net uit een Bosnisch concentratiekamp waren gekomen.
De groep liep terwijl de oorlog in Bosnië nog aan de gang was, in het
begin van de negentiger jaren. Zij baseerden zich op groepstherapie met
getraumatiseerde Vietnam-veteranen, zoals die in de Verenigde Staten opgezet
waren (o.a. Rozynko e.a., 1991 en Parson, 1984). De groepen werden samengesteld
uit diegenen die volgens de Watson-vragenlijst (Watson, 1991) een volledige
of partiële posttraumatische stress-stoornis hadden. De groepen werden
ondersteunend genoemd. Echter, in de groep werden de deelnemers aangemoedigd
zo gedetailleerd mogelijk te vertellen wat ze in de concentratiekampen
hadden meegemaakt. Exposure in groepsverband speelde dus een belangrijke
rol. Een gevoel van veiligheid, vertrouwen en oprechtheid in de groep
opbouwen werd erg belangrijk gevonden. Daarnaast was het een belangrijke
opgave om geleidelijk aan de groepsleden een nieuwe identiteit te geven,
van slachtoffer naar overlevende en naar immigrant in een nieuwe samenleving.
In het begin van de groepsbehandeling vond ook psychoeducatie plaats over
het wezen en de gevolgen van de posttraumatische stress-stoornis. Opvallend
in de beschrijving is dat in het verloop van de groep ook ernstige sociaal-juridische
problemen gingen spelen rond de asielprocedure, en dat de groepsleden
toen in regressie dreigden te gaan. Het kostte de groepsleiders veel moeite
hen daaruit te halen. In de laatste fase was de groep gericht op de toekomst
en de processen van migratie en aanpassing in een nieuwe maatschappij.
Na meer dan vijf maanden behandeling voldeed geen van de groepsleden meer
aan de diagnose posttraumatische stress-stoornis, volgens de vragenlijst.
In de beschrijving van Drozdek e.a. staan helaas geen cijfers over aantallen
groepsleden, attentie aan de groepen, en het aantal drop-outs. Ook is
er helaas geen vergelijking met de personen uit de kampen die enkel individuele
behandeling kregen of psychofarmaca. Het bereikte resultaat is fraai,
maar het natuurlijk beloop van de posttraumatische stress-stoornis na
migratie is ook hoopgevend. Zoals boven beschreven vonden Weine e.a.(1998)
in een groep ex-Bosnische vluchtelingen in de Verenigde Staten ook vermindering
van PTSS-diagnoses van 75 naar 45%. De aanpak van Drozdek e.a. bleek bij
evaluatie na 3 jaar slechts beperkte effecten te hebben. Oudere patiënten
bleken kwetsbaarder. Psychosociale factoren hadden overigens geen invloed
op de verslechtering (Drozdek, 1997).
Santini en Marsal Roig (1999) beschrijven in hun boek hun 'integrale multidimensionale
groepstherapie voor vluchtelingen'. Zij combineren non-verbale en verbale
technieken in hun groepstherapie. Bewegingsoefeningen, creatieve technieken,
ontspanningsoefeningen en spel zijn voorbeelden van de non-verbale technieken.
Verbale technieken zijn minder duidelijk uitgewerkt maar omvatten in ieder
geval psychoeducatie en bespreking van overdracht, tegenoverdracht en
rouw. De schrijvers benadrukken dat naast de groep individuele behandeling
belangrijk is om individuele problematiek door te nemen. Ze onderscheiden
drie fasen in het groepsproces. In de inleidende fase worden het eigen
lichaamsbeeld, concentratie en ontspanning benadrukt. In de verdiepende
fase wordt gestreefd naar cognitieve veranderingen en naar het veranderen
van emoties. In de afsluitende fase wordt gewerkt aan stabilisatie en
worden de afscheidsrituelen uitgevoerd. De groepstherapie is sterk gestructureerd
en heeft veel kenmerken van bio-energetica in zich (waarbij emoties op
een lichamelijke wijze worden bewerkt). Het is hun beschrijving onduidelijk
hoe persoonlijke problematiek en klachten naar een groepsniveau worden
getild. Door de sterke structuur lijkt er weinig plaats voor een individuele
inbreng te zijn. De eerste fase duurt zes maanden, voor de volgende fasen
wordt geen periode opgegeven. De volledige behandeling duurt waarschijnlijk
meerdere jaren. Zij hebben de beschreven behandeling toegepast bij twee
groepen van respectievelijk zeven en zes personen. Over attentie aan de
therapie en het aantal drop-outs melden ze niets. De eerste groep bestond
uit zes vrouwen en een man uit Latijns Amerika, de tweede uit zes vrouwen
uit verschillende landen. Bijna alle groepsleden hadden traumatische ervaringen
opgedaan, maar een beschrijving van de ernst en van het exacte klachtenpatroon
ontbreekt. De eerste groep doorliep alle fasen, de tweede groep de eerste
en tweede fase: in de tweede fase werd de groep die inmiddels was uitgedund,
aangevuld met nieuwe leden. Als evaluatie werd een vragenlijst met open
vragen gebruikt. Daarnaast verrichtten de therapeuten evaluaties aan de
hand van het door de leden geproduceerde beeldmateriaal. De antwoorden
op de open gestelde vragen leverden in het algemeen positieve antwoorden
op. Toch noemden de groepsleden nog verschillende klachten en symptomen
om verder aan te werken. Als belangrijkste thema van de groep verwoordden
de therapeuten de onderlinge steun en het opheffen van isolering als individuele
vluchteling in de Nederlandse samenleving. Praten over trauma's werd afgeraden
als belemmering op de weg van een positieve ontwikkeling.
Op de dagkliniek van 'de Vonk' (een onderdeel van Centrum '45) wordt routinematig
met groepen gewerkt. Van Emmerik en van den Heuvel (1999) beschrijven
diverse elementen in deze groepen.
Ze noemen als belangrijke onderdelen van het programma:
1. Psycho-educatie: over PTSS, over sociale situaties in Nederland, over
zelfverzorging.
2. Aandacht voor het individu in de groep, met specifieke richtlijnen
voor individuele problemen.
3. Zorg voor veiligheid, waarbij ook problemen met de asielprocedure worden
betrokken.
4. Het gebruik van de Nederlandse taal, als bindende activiteit, en om
de integratie te bevorderen.
5. Aandacht voor existentiële factoren. Uiteraard vinden in groepsverband
andere therapieën plaats, zoals bewegingstherapie en creatieve therapie.
De psychomotorische therapie is bijvoorbeeld belangrijk om lichamelijke
symptomen in verband te leren brengen met traumatisering. Psychomotorische
therapie heeft de volgende functies:
1. Ontwikkelen van een gevoel van veiligheid, lichaamsgevoel en zelfbeheersing.
2. Ontlading en controle van spanning, irritatie, boosheid, woede en agressie.
3. Leren concentreren en ontspannen. (Zwart, 2001).
De groepszittingen van de dagkliniek zijn belangrijk om gedachten te leren
beheersen, emoties uit te spreken en frustraties te benoemen. Van Emmerik
en van den Heuvel onderscheiden:
-het benadrukken van overeenkomsten en niet van verschillen.
- het focussen op het heden en de toekomst
- het samen delen van problemen en zoeken naar oplossingen.
In 2000 vond een eerste open studie plaats naar de effecten van een nieuw
psycho-educatief programma bij patiënten in de dagkliniek van 'de Vonk'
(Rohlof en Koning, 2000). Dit programma bestond uit een zevental verschillende
video-instructies. In deze instructies geven twee verschillende vluchtelingen,
die door acteurs worden gespeeld, verschillende soorten klachten weer
die in het symptomencomplex van de post-traumatische stress-stoornis voorkomen.
Vervolgens treedt in de band een hulpverlener op, eveneens gespeeld door
een acteur, die een instructie noemt van een remedie voor deze klachten.
Tenslotte ziet men de vluchtelingen de instructie opvolgen, waarna ze
melden hoeveel het geholpen heeft. Het video-psycho-educatie-programma,
kortweg VPEP genoemd, werd in drie verschillende groepen toegepast. Hierbij
werd aan elke afzonderlijke aflevering een zitting gewijd. De afleveringen
hebben de volgende onderwerpen als thema: 1. Introductie met algemene
kenmerken van PTSS. 2. Concentratie. 3. Ontspanning. 4. Boosheid. 5. Nachtmerries.
6. Herinneringen. 7. De toekomst.
De resultaten van de open studie naar de effecten van de video zijn als
volgt (Koning, 2000). De studie bleef een open karakter houden want helaas
kon er geen controlegroep worden gevormd vanwege de lange instroom van
patiënten De respondenten (n=21) vormden een zeer heterogene groep door
onder andere de aard van de meegemaakte traumatiseringen, co-morbiditeit
en de beheersing van het Nederlands. De respons was met 46% gemiddeld.
Er waren twee meetmomenten, vóór en na de VPEP, en 11 patiënten voltooiden
de beide meetmomenten. Uit de resultaten kwam naar voren dar er enige
veranderingen zijn opgetreden in het klachtenbeeld. PTSS-gerelateerde
klachten, zoals wantrouwen in de omgeving, angstklachten en de frequentie
van concentratieklachten zijn significant afgenomen. Ook de overige klachten
zijn afgenomen maar deze afnames waren niet significant. Hoewel de verandering
in het inzicht in eigen klachten moeilijk te meten was, leek de VPEP voor
enkelen toch bijgedragen te hebben aan een beter inzicht. De respondenten
beoordeelden de therapie gemiddeld als 'matig'. De grootste tevredenheid
bestond over de herkenning van de eigen klachten in de video's. het had
hoop geboden voor de toekomst, en dat hun klachten kunnen overgaan. Ze
misten echter erkenning voor de eigen specifieke problematiek en ze voelden
zich niet persoonlijk aangesproken in deze behandeling. Deze weerstand
werd ook door de behandelaren opgemerkt. Ze waren over de video over nachtmerries
ontevreden, en merkten dat de instructies op alle banden niet voor iedereen
makkelijk waren uit te voeren. De onderzoeker concludeerde dat de VPEP
goed bruikbaar was voor groepen, maar dat er per video meer tijd zou moeten
worden uitgetrokken, dat oefeningen beter geïnstrueerd moeten worden,
dat er meer aandacht voor individuele verhalen moet komen, en dat andere
belangrijke onderwerpen uit het leven de patiënten ook aan de orde moeten
komen. Verder onderzoek naar de bruikbaarheid van de VPEP zal in de loop
van 2001 plaatsvinden.
In 2001 zal dit video-programma worden aangevuld met een nieuw video-programma
dat in groepen kan worden toegepast. Hierin zal taal en communicatie centraal
staan. In dit nieuwe programma dat een opeenvolging van scènes in vier
verschillende situaties omvat, komen vluchtelingen en Nederlanders in
misverstanden terecht die het gevolg zijn van verkeerd taalgebruik en
miscommunicatie op transculturele gronden. Zo is het bekend dat een Nederlander
vaak recht op zijn doel afgaat, en klachten of problemen direct op tafel
wil leggen en gelegd wil zien. Ook is men in Nederland open over emoties:
Nederland is wat dat betreft een bepaald feminiene cultuur (Hofstede,
1991). Instructie in communicatie lijkt dus zinvol voor groepen vluchtelingen,
of ze nu psychische klachten hebben of niet. Echter, in het geval dat
ze klachten hebben is communicatie belangrijker in verband met contacten
met hulpverleners. De effecten van dit nieuwe video-instructie-programma
zullen in de loop van 2001 worden gepubliceerd.
In de Verenigde Staten zijn ook ervaringen opgedaan met groepen vluchtelingen,
maar beschrijvingen hiervan zijn toch vrij schaars. Kinzie e.a. (1988)
beschreven een groepsprogramma van een jaar met Zuidoost-Aziatische vluchtelingen.
Ze concluderen dat culturele factoren zoals communicatiestijlen, respect
voor autoriteit en traditionele sociale relaties het groepsproces aanzienlijk
beïnvloeden. Socialisatie-experimenten die traditionele activiteiten bemoedigden
en praktische informatie waren bij hen belangrijke onderwerpen. Daarnaast
werden ook verlieservaringen, culturele conflicten, en lichamelijke symptomen
voortdurend besproken. Groepstherapie in engere zin werd bij perioden
in sommige groepen gebruikt. Zij adviseren flexibiliteit, het beantwoorden
van concrete vragen, het in het oog houden van cultuurverschillen, en
het handhaven van individuele gesprekken tussen de groepszittingen door.
Fischman en Ross (1990) beschreven een programma met Latijns-Amerikaanse
vluchtelingen. Zij benadrukken het plaatsen van de traumatische gebeurtenissen
in een sociopolitieke context. Dat komt overeen met wat in de getuigenismethode
(zie boven) van belang wordt geacht. Daarnaast zien ze het als belangrijk
om de symptomen van posttraumatische stress met therapeutische middelen
in groepsverband te behandelen, iets dat ook in de 'Vonkse' methode vooropstaat.
Samardzic e.a.(1998) lieten in hun beschrijving van een dagklinisch programma
met veteranen en vluchtelingen in Kroatië zien, dat met name groepstherapie
en de onderlinge sociale steun bevorderlijk waren voor het functioneren.
Twee-derde van hun 209 patiënten waren na afloop van het programma weer
in staat om te werken.
Conclusies en adviezen
De literatuur en de
klinische ervaring van het werken met groepen met vluchtelingen overziend,
kunnen we tot een aantal conclusies en adviezen komen.
1. Vluchtelingen vormen een zeer diverse groep. Silove (1999) heeft zoals
boven beschreven een aantal kenmerken van vluchtelingen genoemd maar laat
daarbij die diversiteit ook weg. Hoog opgeleide intellectuelen uit Iran
of Irak kunnen niet over een kam geschoren worden met eenvoudige schaapherders
uit Kosovo of Armenië. Wat ze wel gemeen hebben is hun status van gedwongen
migrant (van Dijk, 1996). Traumatisering komt hier meestal als derde factor
bij. Het gemeenschappelijk focus van groepstherapie met vluchtelingen
zal zich dus moeten richten op deze drie factoren: ballingschap, migratie
met daarbij integratie in een nieuwe samenleving met een nieuwe taal en
cultuur, en omgaan met de gevolgen van traumatisering. In hoeverre er
aandacht is voor welke van de drie aspecten zal van de groep, en van de
individuen in de groep afhangen.
2. Het is belangrijk om de aard van de groep van tevoren goed te beschrijven,
om verkeerde indicatiestellingen te voorkomen. Een groepscultuur die een
vastgesteld focus heeft is belangrijk voor de cohesie. Groepen die qua
focus heen en weer zwalken zullen de leden minder goed kunnen binden.
Wel is het natuurlijk nodig om het natuurlijk verloop van een groep te
blijven volgen als therapeut. Een daarvoor gevoelige therapeut zal zijn
zeilen bijzetten als de wind uit een andere hoek gaat waaien, bijvoorbeeld
als alle groepsleden na een periode van symptoombeheersing meer beginnen
te praten over eerdere trauma's. Het vinden van de grootste gemene deler
is daarbij een van de moeilijkste opgaven van de groepstherapeut. Degenen
die voor de groep uitlopen kunnen snel splitsing veroorzaken. Als er een
groepslid bijvoorbeeld uitgebreid over trauma's praat terwijl dat niet
de groepscultuur is en de andere groepsleden daar niet aan toe zijn, kan
het spanningsniveau aanzienlijk toenemen. Het vereist heel wat vaardigheden
van de groepstherapeut om dat te doorzien. Niet alle signalen zullen immers
goed worden herkend, gezien de transculturele problemen daarbij.
3. Vanuit de literatuur en vanuit de eigen praktijkervaring is het goed
te verdedigen om op indicatie naast de groepstherapie ook ruimte te houden
voor individuele psychotherapie. Vluchtelingen hebben vanwege hun wantrouwen,
hun culturele achtergrond en hun soms extreme traumatisering vaak de neiging
om zich in groepen niet erg bloot te geven. Men kan als therapeut trachten
om dat in de groep te doorbreken, maar ook kan men de individuele patiënt
gelegenheid geven zich te uiten in individuele gesprekken. Elke keer dient
dit wel ter afweging te zijn. Veel nadruk op individuele psychotherapie
houdt uiteraard het groepsproces op. Teveel de nadruk leggen op de groep
als enige therapeutische middel kan echter stagnatie geven. In de praktijk
ziet men vaak dat vluchtelingen in individuele therapeutische gesprekken
losgeweekt worden, waardoor het groepsproces ook beter gaat verlopen.
Men dient zich hier dus niet dogmatisch in op te stellen. Maar men kan
zich aan de andere kant voorstellen dat als ieder groepslid in een individuele
psychotherapie zit, de groep zijn therapeutische kracht zal verliezen.
Indicatiestelling bij ieder afzonderlijk is hier dus belangrijk.
4. Communicatie in een groep vluchtelingen blijft een heikel punt. Zeker
als de groepsleden uit zeer uiteenlopende culturen komen, kunnen snel
misverstanden ontstaan. Groepsleden uit dezelfde cultuur zullen dan subgroepen
vormen. Aandacht moet worden besteed aan non-verbale communicatie. Daarbij
geldt vaak dat de non-verbale houding theatraler gekleurd kan zijn dan
men van Nederlanders gewend is. Het taalprobleem is ook lastig te omzeilen.
Door gebreken in het begrijpen van elkaar en van de therapeut zullen misverstanden
uitvergroot worden. Sommige behandelaren werken daarom standaard met tolken,
soms meerdere per groep. Toch lijkt het beter zonder tolken te werken,
in het, soms gebrekkige, Nederlands dat de groepsleden als gemeenschappelijke
taal gebruiken.
De redenen hiervoor zijn drieërlei:
a. De communicatie is directer dan wanneer tolken als intermediair optreden.
b. De aanwezigheid van een of meer tolken in een groep maakt de verhouding
tussen professionals en patiënten onevenwichtig. het gevoel van veiligheid
kan daardoor afnemen.
c. Het gebruik van Nederlands geeft naast het oefenen met de nieuwe taal
ook een gerichtheid op de toekomst, en minder op het verleden.
5. Zoals gezegd: vluchtelingen komen uit landen en culturen waarin het
beroep doen op psychologische hulp niet vanzelfsprekend is. Psychologische
hulp ligt vaak in de taboesfeer: veel gehoorde uitspraken zijn: 'je moet
wel stapelgek zijn om naar een gekkendokter te moeten'. Daarbij bestaat
de aarzeling om psychologische hulp te aanvaarden bij extern veroorzaakte
stoornissen. En is er het algeheel wantrouwen in instituties. Dat vereist
behoedzaam formuleren en vertrouwen winnen in het begin. Psychoeducatie,
over stress, trauma's, traumatisering, en de aanpak daarvan, is in het
begin zeer belangrijk. Daarnaast worden in veel culturen trauma's eenvoudig
doodgezwegen (Tankink, 2000). We merken dat ook in onze behandeling: veel
patiënten bij 'de Vonk' ronden een behandeling succesvol af zonder ooit
over een trauma gepraat te hebben. Overigens was het ook in West-Europa
niet altijd gebruikelijk over oorlogstrauma's te praten (Vloeberghs en
Rohlof, 2000). Het leren accepteren van de wensen van een patiënt om niet
verder over zijn trauma's te praten is dus van belang voor degene die
vluchtelingen behandelt. Voor groepstherapie betekent dat dat groepen
vaker gericht zullen zijn op symptoombeheersing dan op traumabehandeling
in engere zin. Bij het ontwerpen van zorgprogramma's voor vluchtelingen
zal men daarop bedacht moeten zijn.
6. Vluchtelingen zijn bij uitstek slachtoffers van sociaal-politieke troebelen.
Het is dus van belang om de politiek op de een of andere manier ook een
plaats te geven in de behandeling (zie ook Kramer, 1999). Aspecten daarvan
zullen in de groepen altijd terugkomen. Respect voor elkaar en respect
van de groepstherapeuten die immers meestal uit een beschermder wereldje
komen is daarbij belangrijk. Aandacht voor identiteit en existentiële
zaken zullen in elke groep terugkomen: men dient hier als behandelaar
op bedacht te zijn. 7. Onzekerheid rond de vluchtelingenstatus kan voor
de patiënt aanzienlijke stress betekenen, en voor zijn behandelaar veel
frustratie geven (Rohlof en Bloemen, 1998). De asielprocedures in Nederland
zijn te lang, en zullen naar verwachting ook niet korter worden, ondanks
de nieuwe Vreemdelingenwet, die medio 2001 van kracht is. Ook in de nieuwe
wet zijn veel beroepsmogelijkheden ingebouwd, die voor vertraging van
de uiteindelijke beslissing zorgen. Mogelijk zullen in de nieuwe wet meer
vluchtelingen sneller mogen studeren en werken waardoor ledigheid wordt
voorkomen. De dagvulling van veel asielzoekers buiten de therapie-uren
om geeft behandelaren en patiënten immers kopzorgen. 8. Het werken met
vluchtelingen en asielzoekers, in of buiten groepen, vraagt veel van behandelaars
maar schenkt ook veel voldoening. Aan de gevolgen van het werken met getraumatiseerde
patiënten in negatieve zin is veel aandacht besteed (zie Haans, 1998).
Over de positieve aspecten van de dagelijkse omgang met vluchtelingen,
die in feite ook mensen zijn die voor het leven hebben gekozen, is veel
minder geschreven. Het met vluchtelingen samen trachten hun leven weer
op de rails te zetten is een aanzienlijke, maar dankbare taak voor een
hulpverlener.
Literatuur
Canterbury, R. & Yule,
W. Debriefing and crisis intervention. In: Yule, W. (red.). Post-traumatic
stress disorders. Concepts and Therapy (pag. 221-238). Chichester: John
Wiley.
Dijk, J. van & Schreuder,
B. (2001). De getuigenis als therapie. Beschrijving van een kortdurende
therapeutische methode voor getraumatiseerde slachtoffers van politiek
geweld. Tijdschrift voor Psychotherapie, 27, 23-34.
Dijk, R. van (1996).
Gedwongen migratie: de kern van het vluchtelingenbestaan. In: Jong, J.
de & Berg, M. van den (red.). Transculturele psychiatrie en psychotherapie
(pag. 21-34). Lisse: Swets & Zeitlinger.
Drozdek, B. (1997)
Follow-up study of concentration camp survivors from Bosnia- Herzegovina:
three years later. J.Nerv.Ment.Dis., 185, 690-694.
Drozdek, B.(1998).
Getraumatiseerde asielzoekers en vluchtelingen. Maandblad Geestelijke
volksgezondheid, 53, 490-501.
Drozdek, B.; De Zan,
D.; Turkovic, S.(1998) Short-term group psychotherapy of ex-concentration
camp prisoners from Bosnia-Herzegovina. Acta med. Croatica, 52, 119-125.
Emmerik, M. van &
Heuvel, D. van den (1999). Dagbehandeling van getraumatiseerde vluchtelingen
en asielzoekers. ICODO-Info, 16, 80-88.
Favaro,A.; Maiorani,M.;
Colombo,G.; Santonastaso,P. (1999). Traumatic experiences, posttraumatic
stress disorder, and dissociative symptoms in a group of refugees from
former Yugoslavia J.Nerv.Ment.Dis., 187, 306-308.
Fischman,Y.; Ross,J.
(1990). Group treatment of exiled survivors of torture Am.J.Orthopsychiatry,
60, 135-142.
Fox, S.H., Tang, S.S.
(2000). The Sierra Leonean refugee experience: traumatic events and psychiatric
sequelae. J.Nerv.Ment.Dis., 188, 490-495.
Gersons, B.P.R. &
I.V.E.Carlier (1998).Behandelingsstrategieën bij posttraumatische stress-stoornissen.
Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Haans, T. (1998).
Het labyrinth van Ares. Werkbelasting door hulpverlening aan geweldsgetroffenen.
Utrecht: Stichting Pharos. Herman, J. (1993). Trauma en herstel. Amsterdam:
Wereldbibliotheek.
Heuvel, W.J. van den
(1998). Health status of refugees from former Yugoslavia: descriptive
study of refugees in the Netherlands. Croat.Med.J. 39(3): 356-360.
Hidalgo, R.B., Davidson,
J.R.. (2000). Selective serotonin reuptake inhibitors in post-traumatic
stress disorder. J.Psychopharmacol, 14, 70-76.
Hondius, A.J.K. &
Willigen, L.H.M. van (1992). Vluchtelingen en gezondheid. Deel II. Empirisch
onderzoek. Lisse: Swets & Zeitlinger.
Hofstede, G. (1991).
Allemaal andersdenkenden: omgaan met cultuurverschillen. Amsterdam: Contact.
Kinzie, J.D., Leung,
P., Bui, A., Ben, R., Keopraseuth, K.O., Riley, C., Fleck, J., Ades, M.
(1998) Group therapy with Southeast Asian refugees..Community Ment.Health.J.,
24, 157-166.
Kleijn, W.Chr., Hovens,
J.E.J.M., Rodenburg, J.J. & Rijnders, R.J.P. (1998). Psychiatrische symptomen
bij vluchtelingen aangemeld bij het psychiatrisch centrum de Vonk. Ned.
Tijdschr. Geneesk.142, 1724-1728.
Koning, D. (2000).
Transculturele traumabehandeling. Eindscriptie Universiteit van Leiden,
sectie klinische en gezondheidspsychologie.
Kozaric-Kovacic, D.,
Ljubin, T., Grappe, M.(2000).Comorbidity of posttraumatic stress disorder
and alcohol dependence in displaced persons.Croat. Med. J. 41,173-178.
Kramer, S. (1999).
Het psychologiseren van politieke ervaringen. Over hulpverlening aan vluchtelingen
in Nederland. Utrecht: ISOR, Universiteit van Utrecht.
Marsal Roig, Chr.,
Santini, I. & Groenenberg, M. Groepstherapie. In: Rohlof,
J., Groenenberg, M. & Blom, C. (red.), Vluchtelingen in de GGZ (pag. 178-185).
Utrecht: Stichting Pharos.
Mollica, R.F, McInnes,
K., Sarajlic, N., Lavelle, J., Sarajlic, I., Massagli, M.P. (1999). Disability
associated with psychiatric comorbidity and health status in Bosnian refugees
living in Croatia .JAMA, 282, 433-439.
Nicholson,B.L.; Kay,D.M.
(1999) Group treatment of traumatized Cambodian women: a culture-specific
approach. Soc.Work, 44, 470-479.
Parson, E.R. (1984).
The role of psychodynamic group therapy in the treatment of combat vetererans.
In: Schwartz, H.J. (red.), Psychotherapy of the combat veteran. New York:
S.P. Medical and Scientific Books (pag. 153-220), 1984.
Peltzer, K. (1999).
Trauma and mental health problems of Sudanese refugees in Uganda. Centr.Afr.J.Med.,
45:110-114.
Rohlof, J.G.B.M..
(1995). Behandeling van getraumatiseerde vluchtelingen met psychofarmaca.
Tijdschrift voor Psychiatrie, 37, 488-497
Rohlof,
J.G.B.M. & Bloemen, E.J.J.M. (1998). Asielzoekers en vluchtelingen. Maandblad
Geestelijke volksgezondheid, 53, 976-979.
Rohlof, J.G.B.M. &
Hovens, J.E.J.M.(1998). Behandeling van ernstig getraumatiseerde vluchtelingen.
In: B.P.R.Gersons en I.V.E.Carlier (red.), Behandelingsstrategieën bij
posttraumatische stress-stoornissen (pag. 70-79). Houten: Bohn Stafleu
van Loghum,
Rohlof,
J.. Behandelkeuze bij getraumatiseerde vluchtelingen. Phaxx, kwartaalblad
gezondheidszorg en vluchtelingen, nr 4/1998.
Rohlof,
J., Groenenberg, M. & Blom, C. (red.)(1999). Vluchtelingen in de GGZ.
Utrecht: Stichting Pharos.
Rohlof, J., Koning,
D. , Hovens, J.(2000). Gemeten meningen van vluchtelingen over een psycho-educatie-video,
alsmede therapeutische effecten. Paper op 28e voorjaarscongres, NVvP,
Maastricht.
Roodenrijs, T.C.,
Scherpenzeel, R.P. & de Jong, J.T.V.M. (1998). Traumatische ervaringen
en psychopathologie onder Somalische vluchtelingen in Nederland. Tijdschrift
voor Psychiatrie, 40, 132-142.
Rozynko, V., Dondershine,
H.E. (1991). Trauma focus group therapy for Vietnam veterans with PTSD.
Psychotherapy, 1, 1567-1571.
Santini, I. & Marsal
Roig, Chr. (1999). De deur van de hoop. Integrale multidimensionale groepstherapie
voor vluchtelingen. Utrecht: Stichting Pharos.
Samardzic,R.; Mandic-Gajic,G.;
Alacov,T.; Bosic,B (1998). [The role of day care hospitals in psychosocial
rehabilitation of patients with psychiatric war injuries] Vojnosanit.Pregl.,
55, 385-390
Silove, D. (1999).
The psychosocial effects of torture, mass human rights violations, and
refugee trauma. J of Nerv and Ment Dis, 187, 200-207.
Steel ,Z., Silove,
D., Bird, K., McGorry, P., Mohan, P. (1999).Pathways from war trauma to
posttraumatic stress symptoms among Tamil asylum seekers, refugees, and
immigrants. J.Trauma Stress, 12, 421-435.
Tankink, M. (2000).
Zwijgen: het omgaan met oorlogsherinneringen in Zuidwest-Oeganda. Medische
Antropologie, 12, 207-224.
Thulesius, H., Hakansson,
A. (1999).Screening for posttraumatic stress disorder symptoms among Bosnian
refugees. J.Trauma Stress.12, 167-174.
Vloeberghs, E. & Rohlof,
J. (2000). Praten of zwijgen over oorlogsherinneringen. Medische anthropologie,
12, 243-246.
Watson, C.G., Juba,
H.P., Manifold, V. Kucala, T., Anderson, P.E.D. (1991). The PTSD interview:
ratinale, description, reliability and concurrent validity of a DSM III
based technique. J Clin Psychol 2, 179-210.
Weine, S.M., Vojvoda,
D., Becker, D.F., McGlashan, T.H., Hodzic, E., Laub, D., Hyman, L., Sawyer,
M., Lazrove, S. (1998). PTSD symptoms in Bosnian refugees 1 year after
resettlement in the United States. Am.J.Psychiatry, 155, 562-564.
Weine, S.M., Razzano,
L., Brkic, N., Ramic, A., Miller, K., Smajkic, A., Bijedic, Z., Boskailo,
E., Mermelstein, R., Pavkovic, I (2000).Profiling the trauma related symptoms
of Bosnian refugees who have not sought mental health services .J.Nerv.Ment.Dis.188,
416-421.
Willigen, L.H.M. van
& Hondius, A.J.K. (1992). Vluchtelingen en gezondheid. Deel I. Theoretische
beschouwingen. Lisse: Swets&Zeitlinger. Zwart, M. (2001). Impulscontrole
in psychomotorische therapie met getraumatiseerde vluchtelingen. Maandblad
Geestelijke volksgezondheid, ter perse.
|