|
TITEL: HOE OM TE
GAAN MET STRESS EN TRAUMA'S
SUBTITEL: Vluchtelingen en coping
AUTEURS: Hans Rohlof, Julia Bala en Adeline van Waning. Pharos-GGZ-Amsterdam.
In de t.v.-film `de
zusjes Smajlovic' zien we drie zusters die, afkomstig uit Bosnië, in een
opvangcentrum voor vluchtelingen in Nederland wonen. Het opvallende van
de film is dat, terwijl ze alledrie uit hetzelfde gezin afkomstig zijn,
ze een heel verschillende manier van omgaan met de stress van oorlog,
vlucht en gedwongen ballingschap hebben. Één zusje spreekt Engels, is
serieus en voelt zich verantwoordelijk, maar kan de dingen aan. Één zusje
spreekt al goed Nederlands, is wat druk en doet jong aan, en lijkt vrij
luchtig tegen de dingen aan te kijken. Het derde zusje tenslotte spreekt
nauwelijks, en geen woord Engels of Nederlands, verzinkt gaandeweg in
een toestand van droevige apathie, en wordt aan het eind van de film opgenomen
in een psychiatrisch ziekenhuis. De film maakt op een heel sprekende manier
duidelijk dat verschillende individuen op een heel verschillende manier
met ernstige gebeurtenissen omgaan. De één lijkt makkelijk en niet gekwetst
door te leven, de ander is niet in staat een betekenisvol verder bestaan
te leiden. De één lijkt alle ellende snel vergeten te zijn, de ander is
dag in dag uit aan het worstelen met de beelden van hetgeen hij of zij
heeft meegemaakt.
In de psychologische
literatuur is vrij veel aandacht besteed aan de manier waarop mensen met
traumatische en spanningsvolle gebeurtenissen omgaan. Zo zijn door Sigmund
Freud en zijn dochter Anna Freud de 'afweermechanismen' beschreven. Zij
stelden dat iedereen in de loop van zijn leven een aantal onbewuste mechanismen
ontwikkelt die dienen om met al te grote emotionele spanningen om te kunnen
gaan. Als belangrijke afweermechanismen noemen ze: verdringing, ontkenning,
verschuiving, projectie, en regressie. Verdringing slaat op het uit het
bewustzijn wegduwen van impulsen, emoties en herinneringen die angst zouden
kunnen veroorzaken: bijvoorbeeld de herinnering aan mishandelingen tijdens
de jeugd. Ontkenning lijkt hierop, maar heeft meer te maken met actuele
zaken die bekend zouden kunnen worden verondersteld, zoals het hebben
van een ernstige ziekte. Verschuiving is het overbrengen van emoties naar
minder beladen personen, objecten of situaties, zoals het kwaad worden
op de baas van je partner in plaats van op je partner als er altijd overgewerkt
moet worden. Bij projectie dichten we een andere persoon gevoelens en
gedachten toe die we zelf hebben en die we van onszelf moeilijk accepteren:
bijvoorbeeld boosheid of haat. Regressie tenslotte is het terugkeren naar
gedragingen die bij een eerder ontwikkelingsstadium passen, zoals bijvoorbeeld
afhankelijkheidsgedrag. Soms is regressie in bepaalde situaties een gezonde
vorm van aanpassing te noemen. Dit geldt trouwens ook voor de overige
afweermechanismen: in bepaalde situatie zijn ze goed te gebruiken, we
hebben ze tot op zekere hoogte nodig, maar als we ze teveel gebruiken,
en teveel dezelfde gebruiken wordt dat op den duur contraproductief, omdat
ze een vervorming en vertekening van de werkelijkheid geven.
Oorspronkelijk, in
zijn eerste geschriften, zag Freud de afweervormen als beschermingsmechanismen
tegen de herinnering aan echt gebeurde trauma's. Al snel stapte hij over
op de afweer als bescherming tegen meer innerlijk beleefde traumatisering
zoals het oedipuscomplex, een gecompliceerd innerlijk conflict in de relatie
met de ouders. In de hedendaagse psychoanalytische literatuur worden de
afweermechanismen ook weer meer in verband gebracht met echt beleefde
gebeurtenissen. De term 'coping' is afkomstig uit de sociale psychologie
en kan in het Nederlands vertaald worden met 'het hoofd bieden aan'. In
tegenstelling tot de afweermechanismen die grotendeels onbewust zijn zouden
coping-strategieën bewust toegepast worden. Ook wordt coping meer verbonden
met werkelijke spanningsbronnen van buiten af. Een belangrijk kenmerk
van coping is dus dat de mens tot op zekere hoogte enige keuzevrijheid
heeft in de manier van omgaan met een probleem. Coping-strategieën kunnen
onderscheiden worden in adequate en inadequate. Adequate of gezonde vormen
van coping zijn bijvoorbeeld probleemoplossende strategieën zoals hulp
zoeken bij anderen en opkomen voor zijn eigen rechten, en emotie-verlagende
acties zoals zich uiten of ook bij trauma er vanuit gaan dat je er iets
van kunt leren. Voorbeelden van ongezonde manieren van coping zijn overmatig
gebruik van alcohol of tranquillizers, zelfbeschadiging en agressief gedrag.
De eerste onderzoeker
die de term coping gebruikte was R.S.Lazarus. Hij ging er vanuit dat de
wijze van coping sterk afhangt van de manier waarop iemand de situatie
beoordeelt en van de kracht waarover men beschikt bij het onder ogen zien
van de situatie. Hij spreekt van secundaire coping wanneer het niet zozeer
om een gegeven situatie gaat maar om de hantering van de daaruit voortvloeiende
emoties. Hij legde een link naar het functioneren van de hersenen waarin
zowel emotionele impulsen alsook remmingsmechanismen ter controle van
die emoties een plaats hebben. Later legde Lazarus ook een verband tussen
coping en het veranderen van de cognitieve beleving van stress en trauma's:
bijvoorbeeld zich buiten de situatie stellen, de hopeloosheid van een
zaak ontkennen. Het is duidelijk dat hier de theorieën over copingstrategieën
en afweermechanismen aan elkaar raken.
COPING BIJ VLUCHTELINGEN
In gesprekken met vluchtelingen komt het vaak voor dat men verbaasd raakt
over de vermogens van een mens om het hoofd te bieden aan zeer ernstige
en moeilijke omstandigheden. Men komt soms mensen tegen die echt extreme
dingen hebben meegemaakt en daar hoegenaamd geen psychische gevolgen van
lijken te hebben. Vaak gaat het om personen die over een uitzonderlijke
innerlijke kracht beschikken en verschillende vormen van coping naast
elkaar kunnen gebruiken. In de literatuur gebruikt men voor de kracht
van deze personen de term 'resilience' of veerkracht en wordt een aantal
psychologische, biologische en sociale gronden genoemd voor deze veerkracht.
Psychologische factoren zijn onder andere: het vermogen tot inzicht in
zichzelf en anderen, het vermogen te leren van ervaringen, zelfdiscipline,
moed, een open opstelling, creativiteit, een goed gevoel voor (soms zwarte)
humor, en een positieve levensfilosofie.
Biologische factoren zijn mogelijk aanwezig gezien de werking van psychofarmaca
op de veerkracht. Deze biologische factoren zijn echter nog niet goed
duidelijk gemaakt. Wel zijn er erfelijke factoren die een rol spelen bij
recidiverende depressies bekend geworden, dus mogelijk is er ook erfelijkheid
voor het ontbreken daarvan.
Uiteraard spelen sociale factoren ook een belangrijke rol bij deze veerkracht.
De mogelijkheid om met anderen te communiceren tijdens en na de traumatische
gebeurtenis is een belangrijke factor. Daarnaast is het moreel van de
sociale groep belangrijk. Dit moreel kan sterk afhankelijk zijn van de
ideologie die een bepaalde groep bij elkaar houdt: bijvoorbeeld een ideologie
die een bepaald politiek systeem of een nationale identiteit inhoudt.
Overigens kan men ook waarnemen dat een sterke ideologische binding binnen
een bepaalde groep op den duur weer nadelig kan werken voor een vrije
individuele ontwikkeling: maar bij deze zienswijze spelen wellicht westerse
normen een rol.
Bij in ons land verblijvende
vluchtelingen en asielzoekers kan daar beslist nog een aantal factoren
aan toe worden gevoegd. Een snelle procedure van erkenning als vluchteling
en een vlotte doorstroming op onderwijs- en werkgebied bevorderen een
goede coping: immers, de gezonde vermogens en de positieve toekomstverwachting
van de vluchtelingen worden zo ondersteund. De huidige moeizame procedures
bemoeilijken een goede coping, en werken als nieuwe spanningsbron. Een
belangrijke sociale factor die een rol speelt bij coping is de mate van
acculturatie: het vermogen om, met behoud van de eigen culturele waarden,
zich te voegen in een nieuwe cultuur. Er is een duidelijk verband aangetoond
tussen psychiatrische symptomatologie en gebrekkige acculturatie. Acculturatie
wordt daarbij gedefinieerd als een proces dat zich ontwikkelt tussen twee
culturen: geen assimilatie, ook geen culturele afscheiding, maar een werkelijke
integratie, waarbij ook wat gevraagd kan worden van de gast-cultuur.
KINDEREN EN GEZINNEN
Kinderen gebruiken een variëteit aan copingmechanismen om aan spanningsvolle
situaties het hoofd te bieden. Deze lijken beïnvloed te zijn door individuele
trekken, de leeftijd en het ontwikkelingsniveau, en de beschikbare steun
van het gezin en de gemeenschap. Jonge kinderen zijn afhankelijker van
hun ouders dan oudere wat betreft steun, oplossingen zoeken, cognitieve
interpretaties en regulatie van gevoelens, en daarom worden jonge kinderen
ook meer beïnvloed door de reacties van de ouders op trauma's.
Copingmechanismen worden in de ontwikkeling van het kind geleidelijk meer
gedifferentieerd. Probleem-oplossende strategieën lijken daarbij het eerst
te worden ontwikkeld, al in de kleutertijd. Emotionele coping is afhankelijk
van de beheersing van gevoelens en de ontwikkeling van cognitieve processen
en ontstaat daardoor pas later. Terwijl veel copingmechanismen van kinderen
op die van volwassenen lijken, zijn pogingen om spanningen af te reageren
door spel en door fantasieën typisch voor kinderen; ze kunnen daarom goed
in behandelingen worden gebruikt. Coping bij kinderen kan niet goed worden
begrepen als niet ook gekeken wordt naar de wijze waarop ouders en gezinnen
met stress en trauma's omgaan. Ouders kunnen kinderen helpen door steun,
door voorbeelden te geven en door betekenis te verlenen. Ook kunnen rituelen,
verhalen en bepaalde voorbeeldsituaties in gezinnen een belangrijke rol
spelen. Het is daarom ook goed te zoeken naar deze factoren wanneer men
verschillen wil ontdekken tussen gezinnen met een adequate en met een
inadequate aanpassing. Ook een aantal karakteristieken van gezinnen zijn
van belang voor een goede coping: het accepteren van de spanningsbron,
het houden van de controle binnen het gezin, goede interne communicatie,
grote samenhang binnen het gezin, en flexibele rollen van alle gezinsleden.
Weliswaar zijn copingstrategieën voor elke situatie anders, maar het is
natuurlijk belangrijk om als gezin een grote variëteit aan strategieën
te hebben: immers, hoe groter het repertoire, hoe groter de kans dat de
coping bij de betreffende situatie succes heeft.
ONDERZOEK
Zolang als het begrip coping in de psychologie bestaat, zolang heeft men
al moeite gedaan om de verschillende aspecten en onderdelen ervan goed
in kaart te brengen. Voor het wetenschappelijke onderzoek van coping is
een aantal instrumenten ontwikkeld. Uiteraard is het belangrijk om van
diegenen te leren die met succes een gruwelijke periode in hun leven hebben
overleefd, en dat te doen door goed naar hen te luisteren. Een open interview
kan wel enig zicht bieden op de copingstijlen die iemand hanteert; daarnaast
kan met behulp van vragenlijsten meer systematische aanvullende informatie
over copingsstrategieën worden verkregen. Met deze lijsten zijn ook vergelijkingen
tussen mensen of groepen van mensen mogelijk. Vragenlijsten hebben dus
grote voordelen. In Nederland is als vragenlijst de `Ways of Coping Checklist'
vertaald, gevalideerd, en gebruikt, onder andere in een onderzoek naar
de late gevolgen van de Tweede Wereldoorlog bij de nu levende oudere generatie.
De 'COPE' is een andere uit het Engels vertaalde vragenlijst, met een
rijkere bron van informatie dan bovenstaande, en die geschikter lijkt
voor vluchtelingen, maar uiteraard nog veel bewerking en validering behoeft.
In de COPE wordt naar vijftien verschillende copingmechanismen navraag
gedaan. De lijst vraagt naar coping gericht op een specifieke situatie,
die door de ondervraagde genoemd is: hierdoor wordt bereikt dat de vragen
zo concreet mogelijk zijn. De COPE is uit te breiden met een lijst waarin
gevraagd wordt naar hulpbronnen, en met één waarin naar de inschatting
van de situatie wordt gevraagd.
VERBETERING
Uiteraard is het onderzoek naar copingmechanismen bij mensen die stress
en trauma's hebben meegemaakt, en nog steeds meemaken, uiterst belangrijk.
Van vluchtelingen kunnen we wat dat betreft heel veel leren, hetgeen niet
alleen voor hen van belang is, of voor de vluchtelingen met een niet-adequate
coping, maar ook voor de rest van de bevolking. Immers, wanneer we weten
hoe mensen met extreme gebeurtenissen kunnen omgaan, kunnen we ook meer
gaan begrijpen van de coping bij alledaagse spanning: spanning in het
gezin, op het werk, en bij 'alledaagse' traumatische gebeurtenissen zoals
verkeersongevallen, inbraken en overvallen. Het identificeren van gezonde
en ongezonde manieren van coping bij één persoon kan ons op het spoor
zetten van behandelingen die gericht zijn op het aanleren van betere vormen
van coping.
Programma´s die dit omvatten zijn reeds ontwikkeld: bijvoorbeeld de 'crisisoverlevingstherapie';
in het beperkte kader van dit artikel kunnen we hier niet verder over
uitweiden. Bij vluchtelingen gaat het om het identificeren van hùn manier
van coping. Daarbij is het altijd belangrijk om adequate coping toe te
juichen, en behulpzaam te zijn bij het veranderen van inadequate coping
naar meer een aangepaste wijze van omgaan met de nieuwe situatie. Bij
vluchtelingen heeft de coping zeker een culturele inkleuring: vaak doorstaat
men de trauma's in groepen die moreel en ideologisch een sterke cohesie
hebben. Het is echter riskant om te beweren dat men in sommige culturen
makkelijker met extreme situaties om zal gaan. De crisis- en oorlogssituatie
in het land van oorsprong is er vaak ook één die zeer kort vóór de vlucht
ontstaan is en zeker niet cultureel bepaald. Zeggen dat geweld nu eenmaal
inherent is aan een bepaalde cultuur doet ons de ogen sluiten voor het
doorstane leed, de psychische gevolgen daarvan, en het leerproces dat
geboden moet worden om hiermee om te gaan. De meeste vluchtelingen zijn
erbij gebaat meer zicht te krijgen op de wijze waarop ze met de stress
en trauma's omgaan en om nieuwe adequate copingstrategieën aan te leren.
Hier ligt naar ons gevoel een belangrijke taak voor de Nederlandse gezondheidszorg.
Wellicht zou het goed
zijn geweest met de drie zusjes Smajlovic samen hun wijze van coping te
bespreken, en in een therapie met de derde zuster ruim aandacht te geven
aan het ontwikkelen van mogelijk nieuwe vormen van copinggedrag. Een opname
in een ziekenhuis, hoe goed bedoeld ook, zal daar waarschijnlijk niet
zozeer op gericht zijn geweest. Hopelijk heeft de meer biologisch-farmacologische
benadering haar uiteindelijk toch wel wat ruimte gegeven voor het vinden
van een betere copingstijl.
Literatuur: A.Freud:
Het Ik en de afweermechanismen. Ambo,Baarn, 1976.
R.S.Lazarus: Psychological stress and the coping process. McGraw-Hill,New
York, 1966.
Een complete literatuurlijst is op verzoek bij de auteurs verkrijgbaar.
{Voorpagina Rohlof Pages}
|