Vluchtelingen:
migratie en gezondheid
Hans Rohlof, psychiater
Leiden/Noordwijkerhout.
januari 2003
Naast de gevolgen van traumatische ervaringen, waarover elders (zie
o.a. mijn lijst van publicaties) uitvoerig
is geschreven, ondervinden vluchtelingen ook de effecten van migratie.
Over migratie als stressfactor is veel geschreven in de vakliteratuur,
maar het is niet geheel duidelijk of migratie altijd een negatieve invloed
heeft op de gezondheid (Tseng, 2001, pag. 695-718). Migratie kan binnen
dezelfde of een tamelijk gelijkende cultuur zijn en dan als uitdaging
worden gezien, en migratie kan ook nieuwe mogelijkheden bieden: denk
aan studenten die een buitenlandse stage lopen, of arbeidsmigranten
die nieuwe mogelijkheden in hun gastland aanboren. Wat de laatste groep
betreft: het is duidelijk dat eerste generatie migranten van Mexicaanse
origine in de Verenigde Staten minder psychopathologie vertonen dan
in Amerika geboren tweede generatie Mexicanen (Escobar, 2000).
Bij vluchtelingen is het een ander verhaal. We spreken bij hen van gedwongen
migratie, omdat een heel duidelijke keus om naar een ander land te gaan
ontbreekt, of eerder gebaseerd is op negatieve overwegingen (geen veiligheid
in eigen land). Dat houdt sowieso in dat een open instelling naar het
gastland vaak ontbreekt. Verder speelt door een aantal omstandigheden
de stress van migratie bij hen een veel grotere rol dan bij andere migranten.
We kunnen de psychische effecten van migratie bij vluchtelingen het
best begrijpen aan de hand van het stresskwetsbaarheidmodel.
Dit model is ontwikkeld als valide model van de etiologie van psychosen
en depressies (de Jong e.a., 1999, pag. 156-163).
Bij kwetsbaarheid wordt in het algemeen gedacht aan genetische
predispositie. Bij vluchtelingen kunnen we daarnaast ook denken aan
de emotionele disbalans die ontstaan is door traumatische gebeurtenissen
vóór de migratie. Door deze disbalans kunnen vluchtelingen met meer
emoties reageren op situaties die hen doen denken aan trauma's in het
verleden. Zo ontstaan sterkere emotionele reacties op situaties van
machteloosheid, van gevoelde onrechtvaardigheid, van agressie. De emotionele
reacties kunnen de vorm aannemen van angsten, depressies, psychotische
fenomenen en nachtmerries en slaapproblemen. De kwetsbaarheid van vluchtelingen
is dus samengesteld uit genetische factoren (die soms al bleken uit
het functioneren vóór de trauma's) en de gevolgen van traumatische gebeurtenissen,
die een diep psychologisch, en ook biologisch, litteken hebben achtergelaten.
Bij stress kunnen we denken aan veel verschillende zaken:
- de omstandigheden van de vlucht, waarbij levensgevaar en andere ontberingen
werden beleefd.
- het jarenlang gedwongen nietsdoen in geïsoleerd liggende asielzoekerscentra,
in wankele woonomstandigheden, met veel nationaliteiten op een kluitje.
- de onzekerheid over een verblijfsvergunning, met een ellenlange juridische
procedure, en de voortdurende angst teruggestuurd te worden naar een
situatie waarin men veel gevaar verwacht.
- het moeten aanleren van een lastige taal, en het communiceren daarin.
- het omgaan met de Nederlandse cultuur, die in veel opzichten een extreme
positie in de wereld inneemt (Hofstede, 1991). Zo kunnen migranten soms
moeilijk wennen aan de directe manier van contact maken, aan het ogenschijnlijke
gebrek aan ongelijkheid en aan de makkelijke contacten tussen de seksen
die in Nederland bestaan. Ook is Nederland een land met een lossere
moraal, en een land waar het persoonlijke geweten een belangrijkere
rol speelt dan het eergevoel van de familie of de groep. Vluchtelingen
die zich hieraan moeten aanpassen hebben te maken met een speciale vorm
van culturele rouw (Eisenbruch, 1991), die voor hen groter is dan voor
gewone migranten, omdat ze niet terug kunnen keren naar hun eigen cultuur,
omdat de eigen cultuur inmiddels ook veranderd is, en omdat door de
betrekkelijk kleine aantallen vluchtelingen van dezelfde cultuur in
Nederland er minder kansen bestaan voor het ontwikkelen van een typische
migrantencultuur.
- het te maken krijgen met uitsluiting en discriminatie, en met racistische
uitingen van autochtone Nederlanders en van andere allochtonen. In Nederland
wordt hier weinig aandacht aan besteed, maar in landen als Engeland
is hier meer studie naar verricht (Bhugra & Ayonrinde, 2001). Door de
gebeurtenissen van 11.9.2001 en de daarop volgende achterdocht tegen
moslims kunnen gelovige moslims zich eerder uitgesloten voelen, en dientengevolge
zich ook weer eerder terugtrekken in eigen kring. De Nederlandse politieke
situatie van het moment compliceert deze zaken door een volledige inburgering
van nieuwkomers te eisen. Hierbij geeft men geen aandacht aan positieve
aspecten van hun culturele achtergrond.
- het na een tijd van gedwongen nietsdoen moeten concurreren op een
arbeidsmarkt waar oude diploma's en vaardigheden niet erkend worden,
en waarbij men moet opklimmen vanuit een positie die veel lager is dan
men gewend was. Daarbij geldt dat vanwege de ongelijkheid in veel herkomstlanden
de vluchtelingen vaak relatief (ten opzichte van landgenoten daar) veel
rijker zijn geweest.
- de onzekerheid over het lot van achtergebleven familieleden, en soms
de onmogelijkheid om daarover te rouwen op een cultuureigen manier (Rohlof
& Jasperse, 1996). Fantasieën die gevoed worden door eigen ervaringen
met gewelddadigheden in het land van herkomst kunnen hierbij de psychische
druk verhogen.
Door de genoemde factoren kunnen er problemen rond de identiteit
komen (Groenenberg, 1999). Dit gaat gepaard met het gevoel de invloed
op het eigen bestaan kwijt te raken. Cultuurshock en verliezen spelen
hier een rol. Verder is daarbij ook van invloed de verstoorde relatie
tot het land van herkomst als gevolg van de ondergane geweldservaringen.
Het verleden van het individu komt daardoor in een ander daglicht te
staan. Het wegvallen van het vertrouwde kan een identiteitscrisis tot
gevolg hebben. Bij de vraag" wie ben ik?" zijn de dimensies vroeger
en nu, hier en daar, ik en de ander en goed en fout (het verdragen van
ambivalenties) aan de orde. Om tot een innerlijke harmonie te komen
moet het individu de eigen geschiedenis en de relatie tot het land van
herkomst herzien. Het proces van loslaten wordt vanuit een psychoanalytisch
gezichtspunt wel vergeleken met het separatie-individuatieproces van
het jonge kind en de adolescent (Akhtar, 1995). Daarbij komen verlies-
en rouwgevoelens naar boven. Dit kan gepaard gaan met woede, schuldgevoel
en schaamte. Als de vluchteling de mogelijkheid krijgt om naar het land
van herkomst terug te keren, en dus een keuze moet maken, wordt de vraag
"waar hoor ik thuis" urgent. Soms wordt pas dan verwerking van traumatische
ervaringen en verliezen mogelijk en kan de continuïteit van het leven
hersteld worden.
Bij vluchtelingen kan het stresskwetsbaarheidmodel uitgebreid worden
met twee andere factoren, namelijk steun en kracht. Zo kunnen we spreken
van een SSKK-model, dat stress, steun, kwetsbaarheid en kracht omvat.
Bij steun
kan men denken aan professionele steun, maar ook, en eerder, aan steun
uit informele netwerken. Het is bekend dat de mate van sociale steun
één van de belangrijkste indicatoren is voor betere psychologische aanpassing
na psychotraumata (Joseph, 1999). Bij migratie moet men denken aan veel
omvattender steun: wegwijs in de gecompliceerde Nederlandse gemeenschap,
het vertrouwd raken met de Nederlandse gewoonten en gebruiken, informatie
over procedures en richtlijnen, emotionele en existentiële steun. Vluchtelingen
kunnen steun ervaren van landgenoten, moskeeën en kerken, vluchtelingenorganisaties.
Soms zit aan steun een keerzijde. Teveel steun kan de zelfredzaamheid
verkleinen: nieuwkomers lopen dan de kans 'doodgeknuffeld' te worden.
Ook kan steun niet belangeloos gegeven worden. Zo komt het voor, dat
evangelische organisaties vluchtelingen veel steun geven, in ruil voor
een later dringend emotioneel beroep om al zijn energie in de organisatie
te steken. De vluchteling raakt dan gevangen in zo'n organisatie, en
is minder zelfredzaam als de banden worden doorgesneden.
Dit brengt ons op de laatste factor: de kracht van de vluchteling.
Kracht kan men definiëren als de relatieve onkwetsbaarheid, en is dus
de afwezigheid van een andere factor uit het SSKK-model. De kracht wordt
bepaald door een aantal zaken. Zo is het bekend dat jongvolwassenen
zich eerder aanpassen aan een nieuwe omgeving: zij hebben al een zekere
persoonlijkheid ontwikkeld, en staan meer open voor nieuwe situaties.
Ook zijn er geslachtsverschillen: van mannen wordt eerder verwacht dat
ze rollen buitenshuis gaan vervullen, en als die niet beschikbaar zijn,
kunnen ze eerder problemen krijgen. Vrouwen hebben dat minder, maar
ze kunnen thuis ook geïsoleerd raken, met name omdat vrouwennetwerken
vanuit de eigen cultuur niet beschikbaar zijn (Negash, 2002). Bij onderzoek
van Vietnamese vluchtelingen in de Verenigde Staten bleek dat jonge
alleenstaande mannen een betere gezondheid vertoonden dan jongeren die
in een familie woonden (Lin e.a., 1979). In de Amerikaanse individualistische
maatschappij bleek het niet hebben van mogelijk verstikkende familiebanden
dus een voordeel. De kracht wordt ook bepaald door de beheersing van
de taal van het gastland: een snelle beheersing van het Nederlands maakt
zelfredzamer, geeft meer mogelijkheden tot communicatie, en verbetert
de kansen op de arbeidsmarkt. In Japan werd een duidelijke relatie gevonden
tussen beheersing van de taal door buitenlanders en hun geestelijke
gezondheid (Akiyama, 1996). Het grote probleem bij getraumatiseerde
vluchtelingen is dat ze door geheugen- en inprentingproblemen veel moeite
hebben met het aanleren van een nieuwe taal.
Tenslotte is de fase in het verblijf van de vluchteling van belang voor
de kracht. In de eerste fase is er sprake van een relatieve uitsluiting
uit de Nederlandse maatschappij, met daardoor verblijf in een existentieel
niemandsland. In de tweede fase, na toelating als vluchteling, is er
sprake van een harde strijd om een plaats te verwerven in de Nederlandse
samenleving, met mogelijkheden, maar ook mislukkingen. In de derde fase,
na enige jaren, ontstaat een zekere loyaliteit aan de Nederlandse maatschappij,
maar dient er ook een evenwicht gevonden te worden met oude culturele
gewoonten. Ook kunnen dan intergenerationele conflicten ontstaan, ten
gevolge van verschillen in de mate van acculturatie tussen de oudere
en jongere generatie. In de vierde fase, het ouder worden in Nederland,
blijven er gevoelens van nostalgie bestaan, kunnen sentimenten rond
terugkeer naar het land van oorsprong gaan spelen, en dienen de noden
van de fysieke en mentale veroudering opgevangen te worden. Dan kan
de kracht weer opnieuw op proef worden gesteld.
Samenvattend kunnen we zeggen dat de invloed van migratie op de geestelijke
gezondheid van de vluchteling een gecompliceerd beeld te zien geeft.
Mogelijkheden moeten worden uitgebuit, belemmeringen moeten zoveel mogelijk
uit de weg worden geruimd. De stress van de migratie kan zo bij een
verminderde kwetsbaarheid en adequate en optimale steun leiden tot betere
adaptatie, en betere geestelijke gezondheid van de vluchteling.
Literatuur:
Akhtar,
S. (1995). A third individuation: Immigration, identity and the psychoanalytic
process. Journal of the American Psychoanalytic Association, 13, 4,
1051-1084.
Akiyama, T. (1996). Onset study of English-speaking temporary residents
in Japan. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 31 (3-4),
194-198.
Bhugra, D. & Ayonrinde, O. (2001). Racial life events and psychiatric
morbidity. In: Bhugra,D. & Cochrane,R. Psychiatry in multicultural Britain.
Gaskell, London.
Eisenbruch M (1991). From post-traumatic stress disorder to cultural
bereavement: diagnosis of Southeast Asian refugees. Soc Sci Med 33(6):673-80.
Escobar
JI, Hoyos Nervi C, Gara MA. (2000). Immigration and mental health: Mexican
Americans in the United States. Harv Rev Psychiatry 8(2):64-72
Groenenberg,
M. (1999). Psychotherapeutische hulp aan vluchtelingen: aandachtspunten
en interventiemogelijkheden. In: Aarts, P.G.H. & Visser, W.D. Trauma,
diagnostiek en behandeling. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
Hofstede,
G. (1991). Allemaal andersdenkenden: omgaan met cultuurverschillen.
Contact, Amsterdam.
De
Jong, A., van den Brink, W., Ormel, J. & Wiersma, D. (1999) Handboek
Psychiatrische epidemiologie, Elsevier/De Tijdstroom, Maarssen.
Joseph,
S. (1999). Social support and mental health following trauma. In: Yule,
W. Post-Traumatic Stress Disorders. Wiley, Chichester.
Lin,
K.M., Tazuma, L. & Masuda, M. (1979). Adaptational problems of Vietnamese
refugees: I. Health and mental health status. Archives of General Psychiatry,
36, 955-961.
Negash,
A. (2002). Cultureel stigma en stille strijd. In: Borra,
R., van Dijk, R. en Rohlof, H. Cultuur, classificatie en diagnose. Bohn
Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem
Rohlof,
H. en Jasperse, A. (1996). Gedwongen migratie, verlies en cultuur. Medische
Antropologie, Tijdschrift over Gezondheid en Cultuur, 8, 78-86.
Tseng,
W-S, (2001). Handbook of cultural psychiatry, Academic Press, San Diego.