|
Één
wereld, één taal?
Transculturele
psychiatrie en psychotherapie op het tiende wereldcongres van psychiatrie,
gehouden van 23 tot 28 augustus 1996 te Madrid, Spanje
Hans
Rohlof
Het tiende wereldcongres
voor psychiatrie, georganiseerd door de World Psychiatric Association
(W.P.A.), de overkoepelende organisatie van alle nationale psychiatrische
verenigingen, vond dit jaar plaats in het zomerse Madrid. Een dergelijk
congres maakt meestal een verpletterende indruk op de argeloze bezoeker:
meer dan tienduizend bezoekers, meer dan driehonderd verschillende symposia,
cursussen, plenaire sessies, discussiebijeenkomsten en fora en meer dan
2200 posters. Op elk ogenblik van de dag kon men kiezen uit een kleine
dertig mogelijkheden.
Wijs geworden, besloot ik me te beperken tot een onderdeel dat me in het
kader van dit congres uiterst belangwekkend leek: de transculturele psychiatrie
en psychotherapie. Een dergelijk beperkt onderwerp leek goed te behappen,
zowel qua symposia als qua ontmoeting met collega's, die een groot congres
als dit een intiemer gevoel geeft.
Daarnaast was het thema van het congres 'één wereld, één taal'. In dit
thema zat het strategische uitgangspunt van het congres besloten: laten
we trachten de paradigma's van de psychiatrie als wetenschap over de gehele
wereld te verspreiden, zodat er een gezamenlijke taal ontstaat voor diagnostiek
en behandeling. In hoeverre was deze strategie succesvol: in hoeverre
was het mogelijk om de taal- en cultuurverschillen te overbruggen via
één wetenschappelijke visie? En: is het zinvol om de taal- en cultuurverschillen
te overbruggen? Op deze vragen zou het congres een antwoord moeten geven.
Vooraf kan opgemerkt worden dat het congres als middel om dit doel te
bereiken organisatorisch nogal kraakte. Zalen waren soms moeilijk te vinden,
een overzicht van de belangrijkste sprekers ontbrak, de -vaak verrassend
goede- posters waren weggestopt in een achterafzaal. Ook de -goede- simultane
vertaling gaf toch afstand tot de spreker: is het nu werkelijk nodig om
een dergelijk congres in zes talen aan te bieden? Of gaat het hierbij
om politieke belangen? Kortom, een congres, dat in vergelijking met een
even omvangrijk congres als het jaarlijkse congres van de A.P.A., de Amerikaanse
Psychiatrische Associatie, nogal rommelig was. Ook positieve punten kunnen
worden genoemd: er waren werkelijk onderzoekers en clinici uit alle werelddelen,
en de informatieverstrekking, met elektronische hulpmiddelen, was up-to-date.
Voor de liefhebbers: er is een CD-ROM met alle abstracts, vol met hyperlinks,
verkrijgbaar.
Cultuur
en depressies
Een symposium
was gewijd aan de vraag of er een verschil is in prevalentie van depressies
in diverse culturen en hoe depressiviteit geuit wordt in de verschillende
culturen.
Antonio Pacheco Palha (Porto, Portugal) weersprak de gangbare cijfers
over de lage prevalentie van depressies in Afrika. Volgens zijn onderzoek
speelt daarbij een rol dat er daar weinig ouderen zijn (bij wie depressies
vaker voorkomen), en dat depressies vaak niet herkend worden. De verbetering
van de zorg in sommige delen van Afrika doet ook het aantal gediagnostiseerde
depressies toenemen. Uit zijn ervaring in Afrika komen symptomen als remming,
verwardheid, en onverwachte suïcide-pogingen meer voor bij Afrikaanse
depressieve patiënten.
Florence Kerr-Corrêa (Sao Paulo, Brazilië) brak een lans voor het opzij
zetten van gedragssymptomen. In haar onderzoek blijken de belangrijkste
parameters voor depressies in verschillende culturen de remming en de
vernauwing in het denken te zijn.
Vanuit de World Health Organisation (W.H.O.) sprak José Manuel Bertolote
(Génève, Zwitserland) over de officieel afgegeven richtlijnen voor behandeling
van depressies, ook voor de Derde Wereld. Opvallend is dat op farmacologisch
gebied naast de tricyclische antidepressiva nog lithium wordt geadviseerd,
vanwege de kosten-aspecten. Op psychotherapeutisch gebied adviseert men
ontspanningsoefeningen (sic!) en daarbij gezinsinterventies en het opzetten
van een netwerk voor sociale steun. Op een vraag over de samenwerking
met traditionele genezers antwoordde hij dat samenwerking met deze genezers
door de W.H.O. sterk gepropageerd wordt maar vaak wordt afgewezen door
behandelaars in de verschillende landen. Hij merkte daarbij op dat traditionele,
of alternatieve, genezing juist in Westerse landen een grote vlucht heeft
genomen. In Italië is berekend dat aan alternatieve geneesmiddelen en
genezers ongeveer evenveel geld uitgegeven wordt als aan de reguliere
geneeskunst; dit geldt waarschijnlijk ook voor de andere Europese landen.
Etnopsychiatrie
Het antwoord
van Bertolote speelde nog door mijn hoofd bij het symposium over etnopsychiatrie,
dat geleid werd door prof. Wolfgang Jilek (Delta, Canada), de huidige
voorzitter van de sectie transculturele psychiatrie van de W.P.A..
Het symposium omvatte sprekers over verschillende geneesmethoden in kleine
etnische groepen, zoals de sjamanen in Nepal: erg interessant voor exotici,
maar wat minder voor de clinicus die weinig Nepalezen in zijn praktijk
heeft.
Jilek zelf refereerde aan onderzoek dat hij bij traditionele genezers
in niet-Westerse culturen heeft gedaan. Hij beschreef negen factoren die
in alle traditionele geneeswijzen terugkomen: de holistische aanpak, de
rituelen, de verklaring of het benoemen, de emotionele respons, de veranderde
bewustzijnstoestand, de catharsis, de reiniging, het offer en de sociale
reïntegratie. Als drie belangrijke aspecifieke therapeutische factoren
noemde hij: de culturele verwantschap tussen genezer en patiënt, het belang
van de persoonlijkheid van de genezer, en de therapeutische suggestie.
In de vergadering van de sectie transculturele psychiatrie, die op een
vroege morgen gehouden werd, pleitte Marcel Eisenbruch (Parijs, Frankrijk)
voor meer onderzoek naar de verschillende culturen in de Westerse landen.
Naar zijn idee is de wereld door de grote migratie één smeltkroes aan
het worden van personen van zeer verschillende culturele achtergrond,
die door cultureel niet onderlegde psychiaters ook niet meer begrepen
worden. De vergadering was het hier van harte mee eens en besloot dat
als aanbeveling aan te merken.
NARP
Uit India kwamen nieuwe berichten over de nonaffective acute remitting
psychosis -NARP- die onlangs in een vaktijdschrift voor discussie zorgde
(De Jong, 1996, Rijnders en Hovens, 1996). Pamela Collins (New York, V.S.)
en Vijoy Varma (Chandigarh, India) ontdekten in een nadere analyse van
het psychose-onderzoek in Chandigarh, India een recente voorgeschiedenis
van hoge koorts bij 40% van de gevallen van NARP versus 14% bij de andere
psychosen. Dit werpt nieuw licht op de stelling van J.de Jong dat de NARP
een verklaring zou kunnen zijn voor de verhoogde prevalentie- en incidentiecijfers
voor buitenlanders. Immers, koorts vlak voor een psychose is in Nederland,
met zijn betere behandeling van infectieziekten, vrij zeldzaam. Overigens,
vanuit het kwetsbaarheid/stress/coping-model is het (beweerde) frequenter
voorkomen van schizofrene psychosen bij migranten, en zeker bij vluchtelingen,
goed verklaarbaar: hun leven kenmerkt zich door een complexe veelheid
van stress en trauma's.
Cultuur
van de psychiatrie
Hoe is
nu de stand van zaken in de algemeen geaccepteerde wetenschap, de 'mainstream'-psychiatrie
en -psychotherapie?
Op het congres was veel belangstelling voor de protocollaire behandeling
van stoornissen, en de psychiatrie gebaseerd op bewijzen ('evidence-based-psychiatry').
Harold Pincus (Washington, V.S.) hield een gloedvol betoog over de paradigma's
van de nieuwe psychiatrie versus die van de oude. De oude psychiatrie
ging volgens hem uit van het oordeel van deskundigen, van ideologie, van
anekdotes, van een autoritaire houding, van psychotherapie, van psycho-analyse,
van klinisch vakmanschap, en van wat hij BOGSAT noemde: 'a bunch of guys
sitting around a table' (een stelletje kerels, rond een tafel gezeten).
De nieuwe psychiatrie haalt zijn kennis uit literatuur, wetenschap, gegevens,
gelijke belangrijkheid van onderzoekers, medicatie, hersenwetenschap,
praktijk-richtlijnen en een basering op wetenschappelijke bewijzen. Hiermee
gaf hij ook goed aan hoe de toekomstige cultuur in de psychiatrie zal
zijn: een behandelaar die zich goed zal dienen te informeren, en daarbij
de juiste wetenschappelijke bescheidenheid en twijfelzucht moet hanteren.
Ineens kwamen de uitspraken van Jilek over de kracht van de genezer en
van Bertolote over het aandeel van de alternatieve geneeswijzen bij me
naar boven. Zoekt de gemiddelde patiënt eigenlijk wel een twijfelende
wetenschapper, die zijn percentages in zijn hoofd heeft zitten, als hulpverlener?
Of wil deze patiënt toch de wat autoritaire, ideologisch bevlogen, suggestief
werkende therapeut met een sterke persoonlijkheid, die hem emotioneel
aanspreekt? We kunnen eigenlijk enkel onze patiënt uithoren: wat heeft
hij of zij zelf aan zijn klachten gedaan, wat is zijn coping (Rohlof e.a.,
1996), en ook: wat verwacht hij of zij van de hulpverlener? Wenst de Westers
opgeleide atoomfysicus met een depressie hetzelfde als de Zaïrese man
uit een klein dorpje?
Daarmee gaf het congres me uiteindelijk toch een antwoord op de vraag,
of er in één wereld ook één taal nodig is: neen, er is wel één wetenschappelijke
taal in de psychiatrie, wellicht gebaseerd op de DSM-IV en ICD-10, maar
er zijn vele verschillende, cultureel bepaalde, talen en stijlen om onze
patiënt tegemoet te treden.
Hans Rohlof (psychiater, Pharos, steunpunt gezondheidszorg vluchtelingen,
Amsterdam en RIAGG Zuid-Holland-Noord, Leiden)
Literatuur:
- de Jong, J.T.V.M. (1996). Psychotherapie bij allochtonen: vragen om
moeilijkheden? Maandblad Geestelijke volksgezondheid 51, 483-496.
- Rijnders, R.J.P. en J.E.Hovens (1996). Psychodiagnostiek bij allochtonen
(2). Maandblad Geestelijke volksgezondheid 51, 928-931.
- Rohlof, H., J.Bala en A.van Waning (1996). Vluchtelingen en coping.
Omgaan met stress en trauma's. Phaxx kwartaalblad gezondheidszorg en vluchtelingen
nr.3, 6-8.
|